Mijn foto

Laatste berichten

Neem inhoud van deze site over (XML)
web-log.nl, powered by TypePad

9 februari 2010

Vadertje Tijd

Gisteren was het vierentwintig jaar geleden. Mijn vader ging op een zonnige zaterdagmiddag schaatsen en zakte door het ijs. Op mijn middelbare school ging geloof ik het verhaal dat hij als held gestorven is omdat iemand anders door het ijs zakte en hij diegene probeerde te redden. Dat is helaas niet zo. Hij was helemaal alleen. Dat was juist ook het stomme.
Ik was op de dag af vier maanden oud en meteen voor de rest van mijn leven Nabestaande. Niet dat je daar in het dagelijks leven veel van merkt. Wat je niet kent mis je niet, zeker niet als kind. Tot ongeveer mijn twintigste vond ik het feit dat ik het iedere keer weer moest uitleggen, en dat ik dan van die ongemakkelijke dit-is-zo-erg-dat-ik-totaal-niet-weet-wat-ik-moet-zeggen-reacties kreeg, het vervelendste. Wel schreef ik hem een aantal jaar brieven. Vol met pubergezeik, dat dan weer wel. Ik vond het fijner dan een dagboek omdat ik me kon inbeelden dat er ergens misschien toch iemand luisterde.
Maar hoe ouder ik word, hoe meer ik over mijn vader ga nadenken. Het is toch een gemis. Niet zo zeer van een vaderfiguur, maar van een persoon. Ik wil zo graag weten wat voor iemand hij was. Ik zou zo graag eens met hem willen praten, hem leren kennen. Ik heb nu een beeld dat is samengesteld uit foto's en verhalen. Ik kan hem idealiseren zoveel ik wil en hem allemaal goede eigenschappen toedichten, en vervolgens roepen dat ik die heb geërfd.
Maar wat me de laatste tijd het allermeest verwondert, is hoe hij steeds verder weg begint te raken in de tijd. Dat besef begon toen ik met Berend Das Leben der Anderen zat te kijken en me opeens realiseerde dat mijn vader de val van de Muur nooit had meegemaakt. Het sloeg in als een bom. In de wereld zoals hij die kende bestond Duitsland nog uit Oost en West. Voor mijn gevoel is dat onvoorstelbaar lang geleden. Iets uit de geschiedenisboekjes.
In de wereld zoals hij die kende was net de eerste pinautomaat geïntroduceerd. Het digitale horloge was een hippe gadget. Computers waren bijna nog veredelde rekenmachines. En op de dag dat mijn vader overleed, stond dit op nummer 1 in de top 40.
Volgend jaar is hij een kwart eeuw dood. Hij is negenentwintig geworden, dus over zes jaar heb ik hem ingehaald. Misschien ben ik dan zelf al moeder. En zo draait de hele boel gewoon door, terwijl hij stil blijft staan. Er is één ding wat nooit zal veranderen: ik zal me er altijd over blijven verbazen.

19 januari 2010

Puberpoes

Met jonge dieren is het net als met kinderen en stapels wasgoed: voor je het weet zijn ze groot. Het ene moment zit je nog met een klein pluizenbolletje op schoot, nauwelijks groter dan je hand, en het volgende moment trippelt er opeens een rank poezenvrouwtje door het huis, met een spits kopje en een fier opgeheven staartje. Acht maanden is ze nu; volgens een poster bij de dierenkliniek staat dat gelijk aan 15 mensenjaren. Liesje is een puber.
Toen ik een puber was, schreef ik ellenlange navelstaarderige stukken in mijn dagboek, probeerde ik de raarste dingen met mijn haar en huilde ik tranen met tuiten als dat misluke en ik er in mijn ogen nóg beroerder uitzag, en wilde ik wanhopig, hemeltergend graag Een Vriendje. Van dat laatste heeft Liesje op dit moment ook last. Alleen heet dat bij poezen simpelweg 'krols'.
Krolsheid begint heel gezellig, met een poes die opeens héél graag geknuffeld wil worden en een beetje tegen niemand in het bijzonder loopt te babbelen ('prrr! Prrr! Prrrrr!'). Vervolgens komt het rollebollen, dat is ook nog wel vermakelijk om te zien. Maar als de krolsheid zich wat verder doorzet begint het ellendige gedeelte: het gejammer. Dit gebeurt natuurlijk bij voorkeur 's nachts; poezen zijn immers meer van de one night stands en die scoor je ook niet overdag. Dus als het gehele huis probeert te slapen, mauwt Liesje smekend om een lekkere kater. Nog niet zo lang geleden was haar stemmetje nog een schattig piepgeluidje waar je redelijk makkelijk doorheen sliep, maar ook dit gedeelte is volwassen aan het worden: mevrouw produceert volwaardige keelklanken die door merg en been gaan, en zeker óók door onze dikke brandveilige deuren.
En je begint er niets tegen. Laten steriliseren kan pas als de krolsheid voorbij is. Je kunt niet opstaan en haar knuffelen of eten geven, want dan ben je de komende vijftien jaar veroordeeld tot nachtdienst wanneer de poes dat blieft. Bovendien wíl ze helemaal geen knuffels of eten; ze wil gewoon genomen worden. Dus totdat er een escortdienst van stevige katers (uiteraard gewapend met kleine condoompjes) in het leven is geroepen, is het gewoon een kwestie van het dekbed over je hoofd trekken en wachten tot ze voorbij zijn, die kreten van frustratie.
Misschien moet ik toch eens een dagboekje voor haar kopen, waarin ze het allemaal van zich af kan schrijven.

Liesje_voor_na

7 januari 2010

Woon-werkverkeer

Nu ik klaar ben met studeren, heb ik de Utrechtse binnenstad moeten inruilen voor een Utrechts bedrijventerrein. Papendorp; echte Utrechters kennen dit paradijsje vast wel. Papendorp heeft vele voordelen, zoals achitectonisch verantwoorde kantoorpanden en een mooi uitzicht daarop vanaf de zevende verdieping. Maar Papendorp heeft ook een belangrijk nadeel (naast het feit dat er geen H&M op loopafstand zit, maar misschien is dat alleen maar beter): het is een pokkeneind weg. Dik een half uur fietsen.
Nu ben ik wat fietsen betreft niet voor een kleintje vervaard. De eerste maanden ging ik dan ook dapper dagelijks op de fiets, waarbij ik bijna dagelijks wel een bepaalde vorm van neerslag op mijn hoofd kreeg, hetzij op de heenweg, hetzij op de terugweg, en regelmatig zelfs allebei. Maar ik deed het graag, verkondigde ik tegen iedereen, en tegen mezelf als ik me weer eens langs de kant van de weg in mijn regenpak stond te hijsen. Ik was namelijk wél Onafhankelijk. 'Ik fiets liever door de stromende regen dan dat ik bij een of andere tochtige halte een half uur op een bus sta te wachten terwijl ik al thuis had kunnen zijn.'
Maar toen kwam De Sneeuw. Met sneeuw ben ik een schijterd: daar durf ik met de fiets echt niet doorheen. De sneeuw motiveerde me opeens om op een nog onchristelijker tijdstip mijn bed uit te rollen om de bus te kunnen halen. Eén keer bussen en ik was verkocht. Lekker warm meehobbelen, naar buiten staren en een muziekje luisteren, drinkontbijtje erbij, en vervolgens droog en niet verfomfaaid op mijn werk aankomen. Heerlijk. Sindsdien ga ik elke dag met de bus.
Maar die voorspelling van die tochtige halte klopte wel. Als ik na mijn werk met een stel chagrijnig kijkende forensen sta te kleumen terwijl ik op de bus wacht, vervloek ik mezelf om mijn luiheid en neem ik wraak door te bedenken waar ik met de fiets inmiddels al had kunnen zijn. Kou en regen maken me dan helemaal niks uit want ik hijs me thuis in mijn tokkiepak, en die sneeuw is op de fietspaden toch allang weg.
En dan is er ook nog de OV-chipkaart, die ik als bijdetijds burger natuurlijk heb aangeschaft. Het is echt schokkend hoe snel mijn saldo daarop kleiner wordt. Ik begrijp niet dat er ook maar iemand is die durft te beweren dat het niet duurder is dan een strippenkaart. Het is verdomme minstens drie keer zo duur! Het enige wat de pijn nog een beetje verzacht, is dat de apparatuur de helft van de tijd niet werkt, waardoor ik regelmatig gratis mee mag.
Ook hier geldt dus weer: ieder voordeel heb z'n nadeel, en andersom. Als ik met de fiets ga kan ik langer slapen en ben ik eerder weer thuis, maar loop ik ook regelmatig de kans om als een bezwete vogelverschrikker op mijn werk aan te komen, al moe voor ik goed en wel ben begonnen. Als ik met de bus ga maak ik het mezelf comfortabel, maar aan het eind van de dag heb ik er altijd spijt van en het kost kapitalen (al kan ik die volgens mij wel declareren, maar misschien doen ze daar niet aan omdat ik blijkbaar ook prima op de fiets kan, dat heb ik tenslotte twee maanden volgehouden).
In een ideale wereld zou ik 's ochtends lekker met de bus gaan en 's avonds met de fiets weer terug. Conclusie? Het wordt tijd voor een rijbewijs. Of, tot die tijd, een vouwfiets...

24 december 2009

Dag voor Kerst

Eigenlijk dacht ik altijd dat het vandaag ook al een beetje Kerst was. Stiekem. Het heet dan wel Kerstavond maar voor mij gold dat eigenlijk de hele dag. Ik dacht dat iedereen 24 december besteedde aan knusse kerstvoorbereidingen, zoals samen met je lief de laatste lekkernijtjes in huis halen en met stralende ogen kerstkransjes in de kerstboom hangen.
Maar dat was dus duidelijk een veronderstelling van een luie student met bijna drie weken kerstvakantie. Er wordt wel degelijk gewerkt op 24 december. Ook door mij. Toen bleek dat ik vandaag zou moeten werken was ik wel een beetje teleurgesteld, maar dat werd verzacht door het feit dat ik dacht dat er de hele dag kleine engeltjes door het kantoor zouden vliegen dat ik buiten zo nu en dan een arreslee voorbij zou zien denderen. Het is tenslotte bijna Kerst.
Maar daar is eigenlijk weinig van te merken. Mensen werken echt gewoon vandaag. Waarom zouden ze ook eigenlijk niet? Het is niet voor niets de dag VOOR Kerst. En je hebt dan in ieder geval een excuus om niet je best te doen op een zelfgebakken kerststol of een of ander gevuld dier. Maar er moet natuurlijk nog steeds een hoop lekkers in huis gehaald worden, want het is Kerst dus gij zult vreten.
Omdat ik ook dinsdag en gisteren de hele dag in touw was, moesten die kerstboodschappen dus gisteravond. Onverbeterlijk als ik ben, had ik ook daar een romantisch plaatje bij bedacht. Glimlachend zouden Berend en ik door een stille AH XL slenteren en de ene na de andere delicatesse uit rijkelijk gevulde schappen pakken. Ook dit bleek natuurlijk een illusie: toen we iets na negenen in het boodschappenparadijs arriveerden, was het er een complete chaos. Al die andere kantoorslaven moesten natuurlijk ook hun kerstvreten in huis halen en velen waren ons voor geweest die dag. Een groot deel van de schappen bleek dan ook pijnlijk leeg, dus creativiteit was geboden: twee gigantische zwammen in plaats van champignons, en ik wilde bijna krokante kipkerstboompjes aanschaffen om mee te gourmetten, maar werd gelukkig bijtijds gewezen op een vers bijgevuld schap met echte gourmetschotels (bedankt, Linda!). Uiteindelijk hielden we ons staande in het gekkenhuis en kwamen we, doodmoe maar met volle tassen, weer thuis.
Maar nu kan Kerstavond echt bijna beginnen. Over vijf minuten zit mijn werkdag erop en kan ik beginnen aan mijn kerstvakantie. Jawel: kerstvakantie! Ik ben dan wel geen student meer, ik hoef het niet helemaal zonder te doen dit jaar. Het kantoor waar ik werk is tussen Kerst en Nieuwjaar gewoon dicht. En ik ben bijna twee weken vrij. Ik hoef dus nog niet helemaal af te kicken. En vanvond zit ik, zoals dat hoort, met stralende ogen bij de kerstboom.

17 december 2009

Writers un-block

Ik ben weer aan het schrijven. Echt aan het schrijven. Voor het eerst in drie jaar is er iets aan het ontstaan dat niet na twee hoofdstukken ter ziele gaat of na een week pauze walgend door mijzelf terzijde wordt geschoven. Het gaat eindelijk weer eens lekker en ik heb steeds echt zin om eraan verder te werken. Ik denk zelfs dat ik dit zonder al teveel aarzelen naar een uitgeverij zou durven sturen als het eenmaal af & herzien is. Al is het misschien een beetje hoog-van-de-toren-blazen om dat nu al te zeggen.
Maar het is een hele opluchting dat de inspiratie is teruggekeerd, want ik dacht soms bijna dat ik het helemaal kwijt was. Ik hik er al meer dan drie jaar tegenaan om mijn zeer lange verhaal 2005-2006 naar een uitgeverij te sturen. Steeds niet gedaan. Iets hield me tegen. Het wás het gewoon niet. Ik had zo lang over dat verhaal gedaan, dat ik het al was ontgroeid tegen de tijd dat ik het af had. Ondanks alle positieve reacties erop, ben ik er nooit écht tevreden mee geweest. Zelfs niet toen ik het schreef. Ik kon ook nooit een goede titel bedenken (2005-2006 diende slechts als werktitel) en dat zegt misschien al wel genoeg: als je het centrale thema eigen van je verhaal na drie jaar en talloze herlezingen en associatieve brainstorms nog steeds niet mooi en bondig kunt formuleren, is er iets aan de hand.
Kill your darlings, zeggen ze, en door de hoop op te geven dat ik ooit nog iets met dat verhaal zou gaan doen, is de weg eindelijk vrij voor iets nieuws, lijkt het wel. Daarnaast heb ik mezelf de vrije hand gegeven in meisjesachtigheid: dit mag een heerlijk sappig wijvenverhaal worden met een knalroze kaft. En ik ga lekker absoluut niet mijn best doen om literair verantwoord te schrijven. Laat ik er maar voor uitkomen: het wordt onvervalste chick-lit en ik vind het geweldig!

29 november 2009

Mientje im memoriam (nu echt)

Onze lieve Mientje is vorige week eindelijk ingeslapen. Ze heeft het toch nog bijna een half jaar volgehouden sinds ze op het nippertje aan de vorige inslaapafspraak was ontsnapt! Een ijzersterk beestje, een kranige tante, en 'krakende wagens lopen lang'. Maar uiteindelijk begon dit wagentje toch teveel te kraken om het nog langer te laten doorlopen. Op 18 november is ze vredig ingeslapen. Mientje is 17 jaar geworden.

Journaal_2

29 oktober 2009

Poezensoap

Ik voel me verscheurd, en een verrader.
Dat is nogal wat voor een gewone grijze donderdagmiddag, ja. Het is trouwens ook niet aan me te merken. Niet op het eerste gezicht tenminste. Net zoals gewoonlijk beweeg ik me kirrend en idiote koosnaampjes spuiend door het huis. 'Hoi poekie! Hoi poekie-poe! Hoi lief klein pluizebolletje!' (Niemand mag trouwens weten dat ik dit doe.)
Maar: het is een andere poekie-poe, een ander pluizebolletje tegen wie dit allemaal gericht is. Niet Liesje maar Lotje. En al leerde Liesje Lotje heel lief lopen langs die lange lindelaan in dat mooie versje, ónze Liesje had absoluut geen zin om zich op enigerlei wijze met haar medepoes te bemoeien. Níets wilde ze met deze indringer te maken hebben. Onze stoere poes van bijna een half jaar oud was doodsbang voor ons logeerkitten van elf weken. Een erg vriendelijk kitten bovendien, dat na een paar aftastende plagerijtjes met een aandoenlijk 'prr!' vrienschap probeerde te sluiten. Niets daarvan. Liesje gromde en blies vervaarlijk en kroop vervolgens doodsbenauwd achter de koelkast, waar ze urenlang niet meer achter vandaan durfde te komen. Verdreven naar een hoekje in haar eigen huis. Ik had echt met haar te doen. En Lotje stapte ondertussen parmantig rond, zich van geen kwaad bewust, o-zo snoezig en o-zo klein. Het is onmogelijk om niet voor dat beestje te smelten. Maar toch kon ik het niet goed hebben dat mijn eigen kat zo de kluts kwijt was vanwege haar. Voor het eerst had ik enige reserve jegens een jong poesje.
We hoopten nog dat het wel goed zou komen, dat het een kwestie zou zijn van 'gewoon even wennen'. Katten doen wel vaker moeilijk bij een eerste ontmoeting. Maar meestal is de nieuweling de verdrevene die zielig ergens achter kruipt. Hier was het omgekeerd.
Net toen ik dacht dat alles gekalmeerd was en ik rustig wilde gaan slapen, zag Liesje Lotje bovenaan de trap zitten en begon het grommen en blazen weer van voren af aan. Laten uitvechten leek me geen goed plan, apart zetten ging gepaard met bijna net zoveel geluidsoverlast, dus uiteindelijk heb ik Liesje uit mijn gordijnen geplukt en haar naar haar tweede huis gebracht, waar ze liefdevol werd opgevangen en meteen leek te vergeten wat er gebeurd was.
Lotje zit nu hier en Liesje daar. Lotje ligt op Liesjes lievelingsplekje te slapen. Lotje eet uit Liesjes bakje. Lotje poept op Liesjes kattenbak. Lotje speelt met Liesjes speelgoed. Lotje krijgt de aandacht en de gekke koosnaampjes die anders aan Liesje gericht zouden zijn. En hoe schattig ik die kleine ook vind, met hoeveel plezier ik haar ook te logeren heb, het voelt toch als verraad tegenover Liesje. Alsof ik haar heb weggestuurd omdat Lotje leuker is, en nog lekker jong en snoezig. En straks is Lotje weg en komt Liesje weer hier, en dan ruiken al haar spulletjes naar Lotje. Liggen Lotjes haren op haar favoriete plekje. En roep ik misschien een keer per ongeluk de verkeerde naam als ze iets stouts doet.
Ik schommel dus heen en weer tussen vertedering en schuldgevoel. Ik laat mijn vertedering uitgebreid los op Lotje en die laat het zich tevreden aanleunen, al helemaal gewend bij ons. En als ik Liesje zie bij de buren, knuffel ik dat schuldgevoel eruit tot Liesje zich geërgerd loswurmt. 'Jij bent nog steeds mijn topkat hoor,' verzeker ik haar dan.
Ik weet het, ik ben eigenlijk geen verrader. Ik ben gewoon een enorme aansteller.

27 oktober 2009

Benelux Next Topskelet

Lief jong meisje dat graag model wil worden,

Ja, jij daar. Je hebt net een appel gepakt in plaats van je gebruikelijke stroopwafel en zit nu tegen heug en meug thee zonder suiker te drinken. Vanmorgen heb je stiekem je ontbijt overgeslagen. Je droomt namelijk van een modellencarrière, en zoals we gisteren allemaal hebben kunnen zien in Benelux Next Topmodel, is lekker eten er dan niet meer bij. Nog beter is het om helemaal te stoppen met eten. En als je verstandig bent, heb je dat abonnementje op de sportschool al geboekt.
Je grootste wens is om volgend jaar ook aan dit programma mee te mogen doen. Om uit vele meisjes geselecteerd te worden en met de lucky few te mogen strijden voor de hoofdprijs. Weet waar je aan begint. Tenzij je een rillend anorexiaslachtoffer bent met alle nare symptomen van dien, of gewoon van nature gezegend bent met het ontbreken van enig vlees op de botjes, is er in de fashion industry voor jou geen plaats. Daphne 'ik wou dat ik nog achttien was' Deckers beweert wel dat ze hier in Nederland wat soepeler zijn wat dat betreft, maar laat je niet voor de gek houden. Ook vóór de modellen-in-spe naar Miami vertrokken werd al vaak tegen prachtig dunne meisjes gezegd dat ze nóg meer moesten afvallen.
Doe jezelf een lol. Google een aantal blogs en threads op fora over de uitzending van gisteravond, en kom er achter dat normale mensen er heel andere maatstaven op nahouden - maatstaven waarbij je best een stroopwafel mag eten als je daar zin in hebt. Laat je geen eetstoornis aanpraten door die BNTM-lui, die zelf trouwens ook niet om aan te zien zijn.
DD zegt te betreuren dat deze commotie rondom het programma is ontstaan. Ik hoop dat er nog veel meer commotie zal ontstaan en dat ze het nog veel harder zal gaan betreuren. Dit kan echt niet!

15 oktober 2009

Hartjes

Inwoners van Utrecht is het misschien al eens opgevallen. Je staat voor een rood fietsstoplicht en ziet dat van het kleine rode licht een hartje is gemaakt met zwart tape. Ik zag het voor het eerst bij het stoplicht op de kruising tussen de Biltstraat en de Kruisstraat. Maar daarna begon ik het ook bij andere stoplichten te zien. Ik weet niet meer precies welke. Maar ze zijn er, verspreid door de stad. Misschien zijn het er maar een paar en heb ik ze toevallig allemaal gezien. Geeft niks. Gewoon het idee dat ze er zijn, die kleine, stiekeme, rood oplichtende hartjes, op plekken waar ongeduldige mensen zich staan te ergeren aan het feit dat ze in de motregen staan te wachten tot ze weer mogen fietsen.
Niet doen. Zie het hartjesstoplicht als een mooie gelegenheid om even aan iets leuks te denken. Aan lieve mensen in je leven. Aan hoe goed je het met iemand getroffen hebt. Aan degene die stiekem de stad met kleine hartjes versiert.
Als het licht op groen springt en het hartje verdwenen is, zul je zien dat je toch een stukje lichter doorfietst.

Stoplicht_hartje

19 september 2009

Mind the gap

Ze is misschien wel de beroemdste mevrouw van Londen. Wie kent haar tenslotte niet? Ze is de vriendelijke dame die iedere keer als de metrodeuren opengaan, geduldig herhaalt: "Please mind the gap between the train and the platform."
Meer zag ik er eerst niet in, maar sinds kort heeft deze boodschap voor mij een Diepere Laag. Is het opeens een Metafoor geworden. Ik ben namelijk afgestudeerd. En toen Lisette het laatst had over de gap tussen studeren en werken, waar ik me nu dus middenin bevind, moest ik opeens weer aan de mind the gap-mevrouw denken. Zie mijn studie maar als de metro die me naar mijn (voorlopige) bestemming moet brengen: het metrostation, mijn eerste echte baan. Helaas gaan de sprong uit de metro en de landing op het perron niet altijd even soepeltjes, zeker in Deze Tijden. Voor je het weet blijf je ergens tussenin hangen.
Eerst maakte dit idee me bang. Geen studie meer, maar ook nog geen werk. Daar hang je dan. Zonder geld, zonder nuttige invulling van je dag. Het kan snel voorbij zijn, maar ook tergend lang duren. Ongeveer een week lang verkeerde ik in een staat van afwisselend milde en felle paniek, zocht ik fanatiek naar geschikte vacatures op internet en slenterde ik chocola etend langs de etalages van uitzendbureaus (heel professioneel, ja).
Via een van de uitzendbureaus waar ik me inschreef rolde ik weer in mijn oude bijbaantje in de thuiszorg. Inmiddels heb ik mijn derde werkweek er alweer op zitten. Elke dag (behalve woensdag, dat is mijn sollicitatiebrieven-schrijven-dag) fiets ik naar het gemoedelijke dorpje Maartensdijk en drink ik koffie met gezellige opa's en oma's. Dat ik ook nog moet schoonmaken, zou ik soms bijna vergeten. Ik heb inmiddels een paar vaste adressen en eerlijk is eerlijk: ik had niet gedacht dat het zo leuk zou zijn. Hoe simpel dit baantje ook is, het is alleen al een goed gevoel dat ik iets goeds doe voor mijn medemens, én dat ik zelf mijn brood en huur verdien in plaats van alles bij elkaar te lenen bij mijn vrienden van de IB-groep.
En ik ben er achter gekomen dat ik hier eigenlijk wel best zit, zo in de gap. Ik zoek met veel plezier leuke vacatures uit en fantaseer bij elke leuke functie een heel toekomstig leven bij elkaar. Het idee dat het nog alle kanten op kan, is een beetje eng maar ook heel bevrijdend. Ik verheug me er heel erg op om te kunnen beginnen met mijn Eerste Echte Baan, maar tot die tijd geniet ik ook nog even heel erg van deze vrijheid. En van dit Tijdelijke. En van het fietsen, en van alle koekjes, en van alle verhalen.
Struikel maar rustig bij het verlaten van de metro. Hier in de gap is het zo slecht nog niet.

22 augustus 2009

Poes!!!

De afgelopen maanden had mijn geluk vier witte pootjes en een staartje. Eindelijk is mijn leven weer compleet. Ik woon weer onder één dak met mijn favoriete viervoeter: de poes. Die op dit moment enthousiast mijn mooie rode bank zit te slopen. Momentje.

Goed. Ik ben dus verliefd, dat moge duidelijk zijn. Vanaf het eerste moment dat ik haar op de boerderij als piepklein frummeltje in mijn handen gedrukt kreeg, razen de moedergevoelens door mijn lijf en wil ik maar één ding: ervoor zorgen dat onze Liesje het leukste poezenleventje krijgt dat ze zich maar kan wensen. Wat niet betekent dat ik het goedkeur dat ze haar jachtinstinct uitleeft op mijn andere huisdier, cavia Sam. Natuurlijk is ze dat uitgerekend nu aan het doen. Nog een momentje.

Oké. Liesje wordt dus schromelijk verwend. Peperduur voer en alle aandacht en adoratie die ze zich maar kan wensen van mij, mijn huisgenoten én mijn buren. Liesje is namelijk een heuse LatKat, het poezenequivalent van een kind van gescheiden ouders: ze reist heen en weer tussen twee huizen. Een tijdje bij ons, een tijdje bij de buren. Gelukkig is ze nog jong en flexibel en daarbij ook nog eens erg nieuwsgierig en brutaal, wat ervoor zorgt dat deze veranderingen van woonplaats haar makkelijk afgaan. Wat ze nodig heeft is er tenslotte altijd: haar bakje Royal Canin Babycat-voer en aandacht. Liefst van zoveel mogelijk mensen tegelijk. En op dit moment vooral van mij, want ze is nu bezig zich met behulp van al haar nagels zijwaarts langs mijn prachtige bank voort te bewegen. Excuseer.

Dus. De afgelopen maanden is ze als kool gegroeid. Het piepkleine poesje dat in het kommetje van mijn handen lag te slapen terwijl ik op de trap met Willemijn stond te praten, is zich aan het ontwikkelen tot een echte, zelfredzame huiskat. Zeker sinds ik terug ben van vakantie herken ik haar bijna niet meer terug. Opeens tref ik haar overal aan waar ik haar niet verwacht, komt ze opeens aanstruinen over het aanrecht om van mijn vers ingeschonken beker melk te drinken of zie ik door het keukenraam dat ze zich via de kookplaat (die godzijdank niet aanstaat) achter de grote koelkast weet te wurmen. En ze begint van die typische poezendingen te doen, zoals luid spinnend met een hoog ruggetje en een trillend staartje langs je benen strijken om een aai te vragen. En aan de planten knagen. Ik vrees dat ik weer even moet ingrijpen.

Dat is dus het grote nadeel: het beest maakt alles kapot en even rustig iets doen (zoals een blog schrijven) is er niet bij. De score van vandaag tot nu toe: orchidee op de grond, het mini-whiteboard waar ik mijn to-do-lijstje op bijhoud op de grond (op een plek waar ik alleen bij kan komen als ik spullen ga verschuiven), de Elle die ik zat te lezen verkreukeld en afgekloven. En luisteren, ho maar. De plantenspuit-methode, die altijd erg goed werkte toen Kareltje en Mientje jong waren, maakt op haar geen enkele indruk. Als je hard 'NEE' schreeuwt kijkt ze je alleen een beetje geïrriteerd aan, alsof ze wil zeggen: doe eens rustig joh. Soms word ik er wanhopig van. Heel soms betrap ik mezelf er zelfs op dat ik haar in haar nekvel grijp en opeens roep: 'Stom kutbeest, laat me nou eens met RUST!'.

Als ik mijn lieve Buurman aan de lijn heb, zegt hij: 'O ja, wij willen Liesje weer.' 'Nou, je kan haar zo komen ophalen, ze is strontvervelend vandaag!' reageer ik terwijl ik haar lostrek van mijn (blote) been, waar ze haar klauwtjes voor de zoveelste keer omheen heeft geslagen. Maar ik weet meteen dat het niet waar is. Ze duikt onder een plaid om daar te gaan zitten spoken, en ik kijk naar de bewegende bobbel en mis haar nu al. Zelfs het spoor van verwoesting dat ze achter zich laat, zal ik missen als ze weg is. Ik slaak een verliefde zucht. Ik heb het nog steeds zwaar te pakken.


3 juli 2009

Het leed = geleden

Na twee maanden ploeteren en het verwaarlozen van mijn sociale leven en weblog is het dan eindelijk zo ver: mijn scriptie is goedgekeurd! Met een 7 maar liefst! Dat betekent dat ik nu - zij het nog onofficieel - stilletjes mag gaan genieten van de titel Master of Arts. En van mijn vakantie natuurlijk!

8 juni 2009

Reservetijd

Je zult het maar hebben. De rouwkaarten zijn verstuurd, het zaaltje in het crematorium is afgehuurd, de condoleances stromen binnen... en dan blijkt dat het allemaal een vergissing is geweest. De bijna-overledene in kwestie heeft toch besloten om nog even te blijven leven. Dat is aan de ene kant natuurlijk heel mooi en fijn, maar aan de andere kant ook helemaal niet leuk voor al die mensen die hebben meegeleefd en verdrietig zijn geweest, eigenlijk voor niets dus. Dat is ook precies de reden waarom er doorgaans geen rouwkaarten verstuurd of zaaltjes afgehuurd voor we zeker weten dat de betreffende persoon ook echt is overleden.
Om dezelfde reden moet je eigenlijk geen blog plaatsen over je dode poes voor de poes echt dood is. Al is de datum voor euthanasie vastgesteld, poezen zijn eigenwijze beesten die aan de vooravond ervan nog wel eens willen besluiten dat ze zich eigenlijk nog kiplekker voelen en nog niet uit hun lijden verlost hoeven te worden. Dit is ook typisch iets voor Mientje om te doen, en ja hoor: Mientje deed het. We hadden het eigenlijk wel kunnen weten. Naar verluidt hield Mientje plotseling weer netjes al haar maaltijden binnen, deed ze haar behoefte weer keurig op de bak in plaats van ernaast, lag ze innig verstrengeld te suffen met haar vriendje Kareltje en speelde ze zelfs weer vrolijk met haar zakje kattenkruid. Laten inslapen krijgt dan plotseling toch wel een erg onethisch bijsmaakje ('móórd!'). Dus werd de afspraak met de dierenarts afgezegd, en werd ik zaterdagochtend gebeld met de mededeling dat Mientjes zieltje nog niet naar de hemel zou opstijgen.
Mijn eerste reactie was er natuurlijk een van blijdschap. Ik zou Mientje nog minstens één keer kunnen zien en kunnen knuffelen. Dat moeilijke moment, die laatste blik... dat was toch niet de laatste geweest. Maar ja, daar hangt natuurlijk wel mee samen dat die laatste blik nu een andere keer komt. Dat ik dat moeilijke moment nog een keer zal moeten meemaken. Dat ik me nog een keer zo rot zal voelen. Want ja, ik ben er best ellendig van geweest, donderdag en vrijdag vooral. Snottermomentjes, kaarsjes gebrand, etcetera. En dat was dus eigenlijk voor niets. Dus hoe blij ik ook ben, nu voel ik me tóch een beetje genaaid. Om het maar niet te hebben over al die lieve en meelevende reacties die ik van mensen gehad heb. Mensen tegen wie ik nu moet zeggen: sorry, lief van jullie, maar...
Over een paar uurtjes zie ik haar weer, mijn gekke eigenwijze beestje dat gewoon heeft besloten dat het haar tijd nog niet is, en daar ben ik toch wel heel blij om. Ik denk niet dat ik haar deze laatste weken (want een kwestie van weken blijft het) nog als een vanzelfsprekend onderdeel van mijn ouderlijk huis zal kunnen zien. Deze hele toestand heeft me wel even goed doen inzien hoe dol ik op haar ben.
Zoals mijn tante Lily het leuk zei in een reactie op mijn vorige blog: Mientje heeft reservetijd gekregen. Ik betwijfel of ze nog een doelpunt zal scoren, in de vorm van een dikke bromvlieg bijvoorbeeld (die ze vroeger altijd zo behendig uit te lucht kon plukken), maar we kunnen in elk geval nog even genieten van haar aanwezigheid in het veld.
Hpim2190

4 juni 2009

Mientje im memoriam

Vandaag heb ik afscheid moeten nemen van mijn lieve oude poes Mientje. Zaterdag om 12 uur zal ze een spuitje krijgen. Mijn moeder belde vanmorgen om te vertellen dat de knoop was doorgehakt. Mientje werd té ziek, té zielig. Om verdere aftakeling te voorkomen beslissen wij nu voor haar dat het mooi is geweest. Ik zal er niet bij zijn als ze overlijdt, maar wilde op mijn eigen manier toch even gedag zeggen.
Daar zaten we dan, Berend en ik, op mijn moeders bed, naast een scharminkelig diertje dat niet begreep waar ze al deze aandacht aan verdiend had en een beetje geïrriteerd met het puntje van haar staart heen en weer wiebelde. Nog even heel goed kijken naar haar eigenwijze kopje, haar amberkleurige ogen, het vlekje op haar neus. Ik veegde werktuiglijk een paar haren van mijn zwarte legging en dacht opeens: nooit meer haar witte haren op mijn zwarte kleding.
En dan het moment dat je weet dat je maar weer eens moet gaan, dat je niet eeuwig afscheid kunt zitten nemen, zeker niet als degene van wie je afscheid neemt verder weinig terugzegt. Nog één keer aaien, nog één kus op het kopje, nog één keer kijken vanuit de deuropening, en dan het allermoeilijkste: je omdraaien en weglopen. Je jas aantrekken en weten dat ze daar nog ligt, levend, nú nog wel, maar dat je niet kunt teruglopen om nog één keer te kijken, omdat je dan nooit meer ophoudt.
Thuis is alles alsof er niets is gebeurd. Ik hoef niet te dealen met het weghalen van het etensbakje, het opzuigen van de laatste witte haren op de bank, het denken dat je haar ziet vanuit je ooghoek en dan tot de trieste conclusie komen dat het gewoon een wit kussentje is. Maar toch voelt het rot. Afscheid van een huisdier dat je vanaf je zevende hebt gehad gaat je niet in de koude kleren zitten.
Rest in peace, Mien. Je was een fantastische poes.

Lieve_mientje

14 mei 2009

Duivelse beesten

Het is laat en ik verveel me. Dat in combinatie met een computer, betekent dat ik eindeloos verschillende internetfora ga zitten afstruinen. Zo kom ik een oproepje tegen voor een enquête over huisdieren & religie. Een interessante combinatie, en het is ook nog eens voor iemands scriptie (een lotgenoot dus), dus ik besluit met de hand over mijn hart te strijken en de enquête in te vullen.
Helaas wordt niet gevraagd of ik mijn cavia wel eens richting Mekka heb zien bidden, en ook al niet of mijn poezen tv kijken op zondag. Wel een heel arsenaal aan waar/niet waar-stellingen over mijn persoonlijke mening over het fenomeen huisdieren, die onbedoeld erg lachwekkend zijn, zeker als je al de hele dag ziekjes en dus erg melig thuis rondhangt.   

Ik blijf liever uit de buurt van huisdieren.
Oké, dat kan ik me nog voorstellen.
Ik blijf uit de buurt van mensen indien zij een huisdier bij zich hebben. Dat op zich ook, mits het een kwijlende rottweiler, een groot aantal decibellen producerend keffertje of een woest om zich heen sproeiende krolse kater betreft.
Ik blijf uit de buurt van mensen waarvan ik weet dat zij thuis een huisdier hebben. Daar houdt het voor mij toch wel op.
Ik vind het een probleem thuis vriendjes van mijn kind te ontvangen als het kind thuis huisdieren heeft. En nu zie ik alleen maar een pruilende kleuter voor me: 'Waarom mag ik hier niet spelen?'
'Vanwege die hamster van je.'
'Maar Hammie is lief!' Etcetera.

Deze enquête is ongetwijfeld serieus bedoeld, en ik snap ook wel dat er bepaalde geloven zijn die huisdieren beschouwen als duivelse beesten en de bezitters ervan als gevaarlijke lieden waarbij je het beste zo ver mogelijk uit de buurt kan blijven. Maar toch kan ik alleen maar grinnikend achterom kijken naar cavia Sammie, die in haar hok onschuldig een strootje naar binnen werkt. Hoewel Sam de bijnaam Terror Cavia had toen ze hier kwam wonen en Berend en ik regelmatig grappen maakten over haar plannen om de wereld over te nemen, lijkt ze de laatste tijd steeds tammer en schattiger te worden. Ze komt zelfs tussen mijn benen zitten als ik haar hok verschoon.
Ergens vraagt de enquête ook of ik huisdieren zou aanbevelen, aan mijn mede-agnosten en aan andere mensen in het algemeen. In beide gevallen is mijn antwoord volmondig ja. Ik heb een beetje medelijden met mensen die vinden dat ze uit de buurt moeten blijven bij huisdieren en/of de baasjes daarvan. Ik vind huisdieren een enorme verrijking. Niet alleen omdat ze lief en aaibaar zijn, maar ook omdat het volgens mij wel goed is om ook voor iets anders te moeten zorgen dan alleen jezelf.

Nu we het toch over huisdieren hebben, wil ik afsluiten met deze prachtige quote uit The Hills die ik jullie niet wil onthouden.  De vrouwelijke hoofdpersoon is op bezoek bij een vriendin, die duidelijk niet precies weet wat voor beestje ze nou eigenlijk in die kooi heeft zitten. 'She used to be a hamster. Now she's a guinea pig.' Kijk, bij dat beest zou ik dus wél uit de buurt blijven.

4 mei 2009

Creatief met kleren

Ik geloof dat het een zouavenbroek heet. Zo’n wijde broek waarvan het kruis zo ongeveer ter hoogte van je knieën hangt. Ik vond het een belachelijke uitvinding. Hier wordt absoluut niemand mooier van, dacht ik.
Tot ik ze zag hangen op de markt. Ik weet niet wat er met me gebeurde, noem het een vlaag van verstandsverbijstering, maar opeens wilde ik zo’n broek Hebben. Opeens dacht ik dat het hip zou staan en ook nog eens ontzettend lekker zou zitten. Ideaal voor de zomer. Voor ik het wist, had ik er een gekocht, terwijl Berend verbijsterd toekeek.
Even was ik blij. Maar vijf minuten later bekroop me al het gevoel dat ik me misschien wel gruwelijk vergist had in deze broek. En thuis volgde inderdaad de ontnuchtering. Ik bekeek mezelf en mijn aanwinst in de spiegel en kon alleen maar in schaterlachen uitbarsten. Hier werd absoluut niemand mooier van, ikzelf in ieder geval allerminst.
In een ding had ik me in ieder geval niet vergist: de broek zat heerlijk. Daarom hield ik ‘m toch nog maar even aan. Maar opeens bekropen mij allerlei visioenen waarin in de broek handig vermaakte tot rokje. Ja, inderdaad: de pasvorm van de broek was dusdaning belachelijk dat dat zonder al te veel moeite kon. En als ik eenmaal zoiets bedacht heb, dan moet het ook gebeuren. Dus vlak voor het slapengaan pakte ik in een nieuw impulsief moment de schaar erbij, en ging in mijn ondergoed op de vloer fanatiek zitten knippen. Vijf minuten later draaide ik trots een rondje voor Berend in een leuk nieuw rokje.
Dat voelde goed. Opeens voelde ik me als iemand die zelf kleren kan maken, wat een stiekeme droom van me is. Opeens was ik zo’n meisje dat haar hand er niet voor omdraait om een miskoop te veranderen in een mooie nieuwe aanwinst. Het rokje moest alleen nog even omgezoomd worden. Koud kunstje. Onder de trap bleek nog een klein naaimachientje te staan dat ik wel even kon lenen. En Berend zou natuurlijk wel even uitzoeken hoe dat precies werkte.
Dit resulteerde in een zaterdagmiddag vol gevloek, gesnauw en verbeten gepruts met klosjes en kopspelden. De naaimachine bleek helemaal niet zo makkelijk te doorgronden en het rokje bleek helemaal niet zo makkelijk om te zomen. Want Berend is handig met veel dingen, maar niet met naaimachines. En ik ben onhandig met veel dingen, en al helemaal met naaien. Ik moest mijn nederlaag onder ogen zien: ik zou iemand anders moeten vragen het rokje voor me om te zomen. Iemand die dat natuurlijk in een kwartiertje voor elkaar zou hebben.
Sommige dingen moet je nu eenmaal onder ogen zien. Bijvoorbeeld dat je nooit zo iemand zult zijn die vrolijk zingend achter de naaimachine haar eigen jurkjes in elkaar flanst. Gelukkig ben ik in één facet van het kledingmaken wél gespecialiseerd: ik ben een expert op het gebied van klooien met oude spijkerbroeken. Dus toen ik, kort na het rokjesdebacle, in een blad een aantal foto’s van celebs met opzettelijk gescheurde spijkerbroeken zag, wist ik wat me te doen stond. Ik diepte een oude spijkerbroek op en maakte er binnen no time een hip exemplaar van. En dat was gelukkig héél makkelijk.

23 april 2009

Martin Bril

Gisteravond hoorde ik - via Twitter nota bene - dat Martin Bril is overleden. Ik ben ervan geschrokken. Toevallig hebben we onze Volkskrant een paar maanden geleden opgezegd, maar tot die tijd las ik regelmatig zijn stukjes, hoewel hij eigenlijk nooit mijn favoriete columnist was.
Maar nu hij is overleden, merk ik dat het me erg raakt. Blijkbaar hebben zijn stukjes, of heeft hij zelf, toch meer indruk op me gemaakt dan ik dacht. Ergens op het internet kwam ik de opmerking tegen dat het voelt alsof een verre vriend is overleden. En zo voelt het inderdaad wel een beetje. Als je regelmatig iemands stukjes leest, voelt het toch alsof je diegene kent. Maar je hebt natuurlijk geen idee. Dat blijkt maar weer. Want tot mijn schaamte had ik geen idee dat hij zó ziek was. Dat het niet goed ging wist ik, zoveel liet hij in zijn columns wel doorschemeren. Vorige week zag ik in het voorbijgaan nog op de voorpagina - waar zijn column kort geleden heen verhuisde - dat hij in een rolstoel zat. En nu is hij opeens dood. En dat is dan tóch schrikken.
Want alle cliché's zijn van toepassing, en mijn blog zal weinig verschillen van alle andere blogs die er vandaag over Martin verschijnen. Zo ontzettend jong nog. Wat vreselijk voor zijn vrouw en dochters. Wat is kanker toch een nare rotziekte. Nederland is een groot schrijver kwijt.
Cliché's mogen vandaag voor een keertje, vind ik. Ik ga niet proberen dit in een leuk, origineel jasje te gieten. Want bot gezegd, het is gewoon ontzettend kut.

21 april 2009

Verf jezelf

Iedereen kent de cliché's. Blondines stonden niet vooraan toen de intelligentie werd uitgedeeld maar hebben meer lol. Redheads kunnen goed kussen en zijn wild in bed. Brunettes zijn slimme zakenbabes. Ik ben nogal eens gewisseld van haarkleur en ben dus alledrie geweest. Van nature ben ik blond en ik moet zeggen dat ik daar in elk geval veel lol in heb, in blond-zijn. Maar soms begint het te kriebelen. Dan wil ik, móet ik wat anders.
Het begon met een soort gekleurde coupe-soleil die ooit hip was en 80 euro kostte. Ik had natuurlijk niet van tevoren bedacht dat het waarschijnlijk minstens de helft zou kosten om dat iedere paar maanden een beetje leuk te laten bijwerken, dus toen de streepjes vervaagden besloot ik dan maar te gaan voor helemáál rood. En toen was het eind natuurlijk zoek. Want als je blond bent en je verft je haar rood, dan kun je niet meer zomaar blond worden als je het zat bent. Rood geverfd haar kun je niet zomaar blonderen. Bruin geverfd haar volgens mij ook niet. Tenminste niet bij mij, want bruin wordt op mijn hoofdje ook altijd een beetje rood.
Hoe dan ook, ik heb dus drie jaar rondgelopen met alle rood- en bruintinten die je kunt verzinnen, met poëtische namen als 'mahogany chocolate' en 'amber breeze', die uiteindelijk allemaal neerkwamen op dezelfde kleur roodbruin. Tot ik het zat was en besloot de uitgroei-ellende over me heen te laten komen. Na een jaar met melkboerenhondenhaar te hebben rondgelopen, was ik heel lang heel blij dat ik weer gewoon blond was.
Maar gisteren kon ik het niet meer laten. Het kriebelde. Ik wilde weer even roodbruin zijn. Voor een paar dagen. Met de mildste kleurshampoo heeft mijn moeder mijn haar onder handen genomen. Een uurtje later keek ik in de spiegel en zag iemand die ik vier jaar niet gezien had. Ze was wel een stuk volwassener geworden, maar wat wil je in vier jaar. Ze glimlachte naar me. Ze vond het ook leuk om mij weer te zien. Ze fluisterde verleidelijke dingen als 'cherry chocolate brown'.
Maar wat me het meest opviel was dat haarkleur toch verschil maakt. Niet in je karakter, maar in hoe je je voelt over jezelf. Met donker haar voel ik me stoerder en brutaler dan met blond haar. Of ik me er ook naar gedraag, dat zou ik niet weten. Maar grappig is het wel. Een kleurspoeling is eigenlijk een soort kleine vakantie van jezelf. Even doen alsof je iemand anders bent. Daarna vervaagt de spoeling, of, in het geval van zwaarder geschut, wen je gewoon aan je nieuwe zelf. En wordt alles weer gewoon. Maar dat eerste moment dat je in de spiegel kijkt na het verven van je haar... ik vermoed dat de hele haarverf-industrie op dat ene moment gebouwd is.

17 april 2009

Verliefd zijn is veel leuker...?

Soms zou ik wel weer ouderwets verliefd willen zijn. Voordat jullie nu meteen allemaal beginnen te roepen: 'Maar die lieve Berend dan!': rustig maar, ik ben nog steeds supergelukkig met mijn boy next door. Alweer bijna twee jaar. En dat is heel erg lekker, zo'n lange relatie. Maar het betekent dus ook dat dat eerste spannende verliefdheidsstadium plaats maakt voor - ja, het is een cliché - houden-van. En ook dat je soms stiekem best even terug verlangt naar die tijd van alleen maar aan hem denken, alle liedjes die je hoort op 'jullie' betrekken, rare omwegen maken in de hoop hem tegen te komen, op de raarste tijden op msn gaan in de hoop dat hij er ook is, je het hoofd breken over veelzeggende msn-nicknames en verleidelijke schermplaatjes, in je dagboek krabbelen hoe geobsedeerd je bent en dat je echt moet ophouden, om vervolgens nog eens je mailbox tien keer te f5-en omdat hij misschien in die tussenliggende paar seconden wel gemaild heeft...
Gelukkig is er een oplossing: ik verdiep me naar hartelust in de verliefdheden van anderen. Maakten prille stelletjes me in mijn singletijd licht misselijk en jaloers, tegenwoordig geniet ik ervan. Daarom vond ik het nieuwe RTL5-programma Daten in het donker ook zo leuk: heerlijk al die onzekere, giechelige mensen die hun best doen iemand het hof te maken die ze nog nooit hebben gezien. Vooral de aflevering van deze week vond ik helemaal geweldig, want daarin ontstonden maar liefst drie stelletjes. Op de site van RTL kun je filmpjes bekijken van die stelletjes twee weken later. Twee van de drie stelletjes waren officieel verliefd en zaten stralend te vertellen dat ze elkaar heel veel zagen. Bijna spartelend van vertedering lag ik op de bank.
Maar alles heeft een keerzijde. Met al die blije verliefdheid van me ben ik ook regelmatig teleurgesteld. Ik zit het nu wel fijn te idealiseren, maar dat is ook alleen omdat het de laatste keer toevallig heel goed afliep. Het is meer dan eens voorgekomen dat al dat geluk omsloeg in au.
En ook nu voel ik me uiteindelijk een beetje genaaid. Wat blijkt namelijk? Op het Daten in het donker-topic op het Viva-forum staat een link naar een site waar een van de gelukkige, pril verliefde kandidaten te vinden is als pornoster. Met een paar zeer plastische foto's als bewijs. Natuurlijk hoeft dit nog steeds niet te betekenen dat alles direct nep is, maar het krijgt wel een raar bijsmaakje. Zeker als ik van verschillende kanten hoor dat RTL vaker op dit soort manieren aan deelneemsters schijnt te komen.
Gewoon jammer vind ik het. Omdat ik nu niet zo snel meer onbevooroordeeld van dit soort programma's zal kunnen genieten. Maar goed, gelukkig heb ik de buurman nog. Daar kan ik na twee jaar nog altijd wél onbevooroordeeld van genieten. Ik ga er tenminste wel vanuit dat hij niet stiekem op een gay-porn site te vinden is.

14 april 2009

Kapotte lift = nieuwe bank

Ik zag hem gistermiddag al staan, toen ik bij wijze van pauze op de zonovergoten galerij een boterhammetje met jam stond op te smikkelen. Hij stond een beetje treurig in een hoekje van het trappenhuis, samen met een oud matras en een aantal vuilniszakken. Een driezitsbank van rood leer. Simpel, geen opsmuk verder, maar zeer rood, zeer aanwezig en zeer mijn smaak. Er was een briefje op geplakt: "Bank om mee te nemen (i.v.m. kapotte lift)".
Ik snapte het niet helemaal. Het leek me zeer onwaarschijnlijk dat iemand dit pronkstuk zomaar te geef in het trappenhuis zette. Bovendien waren ze bij de buren laminaat aan het leggen, wat meestal wijst op een verhuizing of verbouwing. Ik hield het er dus maar op dat het tekstje een beetje ongelukkig geformuleerd was, en dat de schrijver ervan vast had bedoeld dat hij of zij de bank later zélf weer mee kwam nemen. Als er een paar sterke mannen waren gevorderd die het geen probleem vonden om dit bakbeest drie trappen af te sjouwen, bijvoorbeeld.
Toen ik een paar uur later de deur uit ging, stond de bank er nog. Met het briefje. Nee Eline, hield ik mezelf voor, het is gewoon te mooi om waar te zijn. Je kunt niet zomaar die bank naar je kamer slepen en je eigen aftandse, gescheurde tweezittertje ervoor in de plaats zetten. Maar toch bleef de bank door mijn hoofd spoken. En toen bleek ook nog dat Berend 'm ook al had gespot. En volgens hem mocht ik hem wél gewoon meenemen. En ook Robert en Hanneke, bij wie we langs waren, vonden dat die bank gewoon voor mij was als ik dat wilde. Volgens hen kon dat briefje niets anders betekenen. Nou ja, ik liet me graag overtuigen.
Toen we weer thuiskwamen - opeens had ik nogal haast - stond de bank er gelukkig nog. Wat meetwerk leerde ons dat hij precies onder mijn hoogslaper zou passen, al moest ik er wel een tafeltje voor inleveren. Maar dat had ik er wel voor over. Het ging allemaal verrassend snel en makkelijk - met dank aan het mini-skateboardje van Berend, dat we gebruikten om het bakbeest op naar binnen te rijden - en binnen een uurtje was het allemaal in kannen en kruiken en stond-ie te pronken in mijn kamer. Mijn prachtige nieuwe bank. 
Tijdens het slepen kwamen we trouwens de buurvrouw nog tegen, die bevestigde dat de bank inderdaad te geef in het trappenhuis stond. Hij was eigenlijk bestemd voor de kringloop, maar doordat de lift kapot was kon hij niet worden opgehaald. Dus daardoor is ie nu van mij. Ik ben nog nooit zo blij geweest met onze brakke lift!

Before:

Oude_bank



After: Nieuwe_bank

6 april 2009

Ik beken...

Ja, bij deze kom ik uit de kast. Ik maak er geen geheim van. Ik kom er gewoon trots voor uit: ik heb net mijn hartje opgehaald door lekker te shoppen bij Zeeman.
Dat blijft toch nog altijd een beetje een taboe. Iedereen heeft inmiddels in de gaten dat je er voor 3 euro zonnebrand kunt kopen, en shampoo uit Balkanlanden, maar om er nou je kleren vandaan te halen... daar kun je beter je mond over houden. Zeeman is nog steeds synoniem voor hobbezakken met tuttige prints, driekwartsbroeken in nare pastelkleurtjes en veel te grote huidskleurige onderbroeken. En die hebben ze er ook. In grote getale zelfs. Maar als je er even de tijd voor neemt en je niet te goed voelt om in bakken te graven, dan zit er soms toch echt iets leuks tussen.  Zo vond ik vandaag een schattig grijs jurkje, een donkerblauw shirtje met een print van een ietwat vals kijkende eekhoorn en een zwarte legging met drie knoopjes aan de onderkant van de pijpen. Alles bij elkaar nog geen twintig euro.
Nu zit ik tevreden naar mijn aankoopjes te kijken. Het is nog maar de vraag hoe lang ze mooi blijven, maar dat maakt niet uit. Ik vind het alleen al leuk dat ik ze gevonden heb. En dat ik er zo weinig voor heb hoeven betalen. Maar het leukste is misschien nog wel dat je dat er dus absoluut niet aan ziet. 

31 maart 2009

Twitter

Oké, ik zit dus weer niks te doen. Niks nuttigs althans. Genoeg te doen, dat is het probleem niet, maar ik moet over een uurtje alweer de deur uit en het gaat er duidelijk niet meer van komen. Bestaat er geen programma dat veel te leuke websites voor bepaalde tijd onbereikbaar maakt? Dat zou echt ideaal zijn voor iemand als ik.
Nieuwste ontdekking: Twitter.  Opeens leek dat overal te zijn, dus ik dacht: ik ga eens kijken. Ik vind het altijd leuk om me voor dat soort nieuwigheidjes aan te melden. Omdat ik iedereen er over hoorde, dacht ik dat iedereen ook wel twitter zou hebben, net zoals dat indertijd ging met hyves. Natuurlijk was hier ook een functie waarmee je je hele emailbestand kon doorspitten om te zien wie er allemaal nog meer twitter hadden. Tot mijn stomme verbazing was dat dus niemand. Niemand! En dat terwijl ik zo iemand ben die haar adresboek nooit opschoont, waardoor er nog mensen in staan die ik zes jaar geleden één keer gemaild heb. En van al die lui, dus van iedereen met wie ik de afgelopen zes jaar (want zo lang heb ik dit emailadres nu ongeveer) gemaild heb, heeft er nog niemand twitter. Iedereen praat er over, maar niemand doet eraan.
Nou is het ook niet bijzonder spannend, dat hele twitter. Een kleine steekproef in mijn omgeving leverde dan ook met name reacties op als 'echt saai' en 'geen zak aan'. Waarschijnlijk is dat ook de reden dat niemand er verder aan doet. Twitter bestaat eigenlijk gewoon uit één functie van hyves: de wie-wat-waar-functie, waarmee je je 'vrienden' kunt laten weten waar je mee bezig bent. Dat is alles. Een typisch ijdel ego-medium, zoals ik op een forum al ergens las, want iedereen schrijft natuurlijk alleen over de interessante of komische dingen die hij doet. Het is echt niet alsof je opeens een kijkje krijgt in het 'ware' leven van de mensen die je volgt: iedereen is bij dit soort dingen zo onbetrouwbaar als de pest, ze zetten zichzelf allemaal neer zoals zij willen dat ze gezien worden. Ook ikzelf natuurlijk.
En toch, tóch vind ik het leuk. Het grote voordeel van twitter boven hyves is namelijk dat je iemand kunt volgen die niet noodzakelijkerwijs jou dan óók moet volgen. Als je je blijkt te ontpoppen tot iets dat thuishoort in de categorie 'gespuis' kun je wel geblockt worden, maar zo lang je je een beetje gedraagt kun je gewoon meelezen met wie je wilt. Zo volg ik nu bijvoorbeeld Tori Amos (gesteld dat zij echt degene is die die feeds heeft geschreven, en niet een geobsedeerde fan die haar manier van schrijven erg goed kan nadoen), John Mayer (die inmiddels ook beroemd schijnt te zijn om zijn twitter-verslaving) en Katy Perry. Ook veel bekende blogs, zoals The Sartorialist en het NRC-next blog, kun je volgen via twitter, zodat je ziet wanneer er iets nieuws is gepost en meteen kunt doorklikken. Dat kan natuurlijk ook gewoon met RSS-feed, maar via twitter vind ik het dan weer léuker, onzinnig genoeg.
En ik vind het natuurlijk ook gewoon leuk om zelf een beetje ijdel bezig te zijn met een zoveelste ego-document. Ik heb er lol in om zo kort en puntig mogelijk iets op te schrijven, en dat is ook nog best een goede oefening, aangezien ik meestal vrij lang van stof ben. En als het daar dan zo staat, lijkt het opeens nog interessant ook. O ja, ijdel is het zeker.
Tot mijn verbazing heb ik zelfs al vier meelezers. En tot mijn nóg grotere verbazing zijn die alle vier Engelstalig, dus ze begrijpen geen woord van mijn Nederlandse stukjes. Misschien doen ze het juist wel daarom, net als mijn tante die zich een tijdje per email heeft geabonneerd op een Zuid Afrikaanse krant.  Maar waarschijnlijk klikken ze gewoon alle newbies aan die ze kunnen vinden.
Stiekem hoop ik een beetje dat dit stukje mensen ertoe aanzet om twitter toch nog een kans te geven of mij te volgen zodat ik ook wat meelezers krijg die ook daadwerkelijk iets begrijpen van wat ik schrijf (zoek op 'Schrijfbeest'). Maar tot die tijd vermaak ik me ook wel met John Mayer. Die 'tweet' namelijk écht over elke scheet die hij laat.

10 maart 2009

Gezakt (2)

Vorige week voelde ik me een paar dagen lang een klein beetje jarig. Zonder taart, cadeautjes en bloemen weliswaar, maar toch. Naar aanleiding van mijn vorige - ietwat melodramatische, vind ik nu zelf - bericht, heb ik ontzettend veel lieve reacties gehad van mensen. Mensen die weten hoe het voelt om in het grote boze CBR-hoofdkwartier de woorden 'ik zal je helaas moeten teleurstellen...' te moeten horen. Mensen die zelf het halen van een rijbewijs naar ergens in de verre toekomst hebben verschoven maar mij toch een hart onder de riem wilden steken in mijn ambitie om het nú te halen. Lucky bastards die zelf wél in een keer hebben weten te slagen, en die mij verzekerden dat twéé keer mij vast wel gaat lukken. Kortom: iedereen leeft mee, en dat is fijn om te weten.
En ik verbaas me er wederom over dat het halen van een rijbewijs blijkbaar zo'n big deal is. Als ik een blog had geschreven over het feit dat ik was gezakt voor een tentamen, zouden de reacties dan ook zo'n massaal geweest zijn? Ik denk het niet. Maar: ik zou dan ook niet zo enorm verdrietig zijn geweest. Waarschijnlijk had ik het niet eens een blog waard gevonden. Natuurlijk is het jammer, maar goed, daar zijn herkansingen voor. 
Een rijexamen is toch heel andere koek, en dat is grappig, want in feite is het niet moeilijker of belangrijker dan een tentamen. Als je slaagt: mooi. Als je zakt: helaas, nog een keer proberen. Zo simpel. Toch werkt het in de praktijk absoluut niet zo. Iedereen die eens is afgereden, kan meepraten over het angstzweet dat je in het de hal van het CBR bijna kunt ruiken. Een spanning om te snijden zoals ik dat nooit eerder ben tegengekomen, zelfs niet bij mijn eindexamen op de middelbare school. En iedereen die eens is gezakt, kan meepraten over het gevoel van verslagenheid dat je overvalt als je thuis weer op de bank zit.
Je doet namelijk zo hard je best. Je doet keihard je best voor iets dat je op het moment zelf niet in de hand hebt. Daar zit 'm de crux. Voor een tentamen kun je leren. Je stampt informatie in je hoofd en met een beetje geluk komt die er op het juiste moment in de juiste vorm weer uit. Voor een rijexamen kun je niet leren. Je hebt natuurlijk eindeloos geoefend bij rijles, en je bent er klaar voor om alleen de weg op te gaan, anders zou je niet mogen afrijden. Maar je moet het ook vóelen. Je moet het gevoel hebben dat je kunt rijden, dat die examinator je niks kan maken. Dat ontbrak bij mij. En daardoor kon ik op het cruciale moment niet presteren, zoals ik dat bij een tentamen wel zou kunnen. Of je kunt rijden is heel erg afhankelijk van je hoe je je op dat moment voelt. Als ik nerveus ben, rijd ik als een verwarde bejaarde, hoe hard ik ook mijn best doe, hoe goed ik ook heb geoefend.
Toen ik over de eerste teleurstelling heen was, merkte ik dat ik stiekem eigenlijk wel blij was dat ik het niet gehaald had. Mijn rijinstructeur kan wel roepen dat hij denkt, vindt, wéét dat ik kan rijden, maar zolang ik daar zelf nog niet honderd procent van overtuigd ben, gaat het niet werken. Stel dat de examinator die paar slordigheidsfoutjes door de vingers had gezien en me had laten slagen, dan weet ik niet of ik nu met plezier in mijn eentje achter het stuur had gezeten. Ik word nog steeds een beetje zenuwachtig van vrachtwagens die ik moet inhalen, invoegen op een korte invoegstrook, ingewikkelde rotondes en imposante Audi's die me zitten op te drukken. Natuurlijk vindt niemand dat soort dingen echt leuk. Maar ik wil er toch nog even wat meer mee oefenen. In de hoop dat ik de volgende keer wél het felbegeerde roze pasje in ontvangst mag nemen.

2 maart 2009

Gezakt

Ik huil niet als ik de auto scheef in een vak parkeer op het CBR-terrein, het contactsleuteltje eruit trek en me realiseer dat het wel heel gek moet lopen, wil ik geslaagd zijn.

Ik huil niet als de examinator me vertelt dat hij me 'moet teleurstellen'. Ik wist het al, zeg ik tegen mezelf. Ik wist het al voor ik vanmorgen instapte, ik wist het de hele vorige week al en misschien al wel dáárvoor. Alleen tijdens het examen zelf niet. Niet de hele tijd althans. Soms was er opeens hoop.

Ik huil niet als de examinator me voor de bediening een 2 geeft, wat ik zelfs in deze staat van nul komma nul zelfvertrouwen onredelijk laag vind. Ik huil zelfs niet als hij zegt dat ik 'er een rotzooitje van maak'.

Ik huil niet als ik terugrijd met Jeroen achter het stuur en hij al zijn stokpaardjes nog eens opsomt. Een gevoel van doffe moedeloosheid overvalt me. Ik kan al zijn zinnen afmaken. Ik kan het alleen niet in de praktijk brengen.

Ik huil pas als ik de hoopvolle blik van Berend zie bij het thuiskomen. Ik hoef alleen mijn hoofd te schudden. Dan pas, als hij zijn gele afwashandschoenen uittrekt en zijn armen om me heen slaat, gaan alle sluizen open.

23 februari 2009

Huishoudbeurs

Jawel, na vele jaren meesmuilend te hebben gekeken naar de enorme mensenmassa die zich in een lange rij naar de Jaarbeurs begaf, kan ik dit jaar ook meepraten: ik ben naar de Huishoudbeurs geweest. Die natuurlijk uitgerekend dit jaar in de Rai in Amsterdam was, maar dat terzijde. Van huisgenootje Ida had ik twee gratis kaartjes gehad en samen met een persoon die in dit geval anoniem wenst te blijven, sprong ik enthousiast in de trein. In onze voorstelling was de Huishoudbeurs vooral: gratis spullen, heel veel gratis spullen. Proefmonstertjes, balpennen, en ik had zelfs gelezen over gratis plantjes die door tuinman Rob persoonlijk het publiek in gesmeten werden.
Dat het erg zou zijn, wisten we ergens wel, maar we hadden ons geen voorstelling gemaakt van hóe erg. Zodra we binnen waren raakten we elkaar bijna kwijt in een enorme meute vrouwen, bijna allemaal met kort kapsel, gruwelijke combinatie van (opgerolde) driekwartsbroek en laarzen ofwel uggs, trolley om alle verworvenheden naar auto of trein te kunnen slepen en shopper van hoofdsponsor V&D met hun attractie 'Bubbles plaza' of iets dergelijks.
We lieten ons meevoeren in het gedrang en gingen een willekeurige hal binnen. Dat bleek meteen de hal met te proeven etenswaren te zijn. Dat kwam goed uit, want ik had honger. Erg veel bleek er helaas niet te eten te zijn. Ik zag kroepoekjes met een dipsausje en werd praktisch opzij geduwd door een fanatieke bejaarde toen ik er twee probeerde te pakken. Verder zagen we alleen maar kortingspakketten, veel kortingspakketten. Een beetje gedesillusioneerd liepen we rond, krampachtig hand in hand om niet uit elkaar getrokken te worden in de meute. We wilden helemaal geen pakket met mueslirepen in vijf verschillende smaken voor maar 2 euro, we wilden gewoon gratis mueslirepen!
Dat bleek dus inderdaad een illusie. Overal waar we kwamen, zagen we erg veel handige dingetjes die je met veel korting kon kopen, maar gratis, ho maar. Wel kon je je gratis laten ondersmeren met een laag goedkope foundation, je haar laten verknippen door leerlingen van de kappersacademie of het laten verschroeien met een nieuw soort krultang. Wij hielden het echter bij gratis kijken naar de mensen die zich wél aan zo'n behandeling onderwierpen, onder het genot van een ijsje waar we helaas wél voor hadden moeten betalen.
Dat is eigenlijk waar de hele huishoudbeurs op neerkomt, als je je er eenmaal bij hebt neergelegd dat je niet met een tas vol gratis goodies naar huis zult gaan: mensen kijken, mensen kijken en nog eens mensen kijken. Vrouwen met een wazige, hebberige blik en een overbeladen trolley. Mannen die volgzaam meesjokken. Een vrouw die op een podium een beetje vaag staat te kletsen over kleuren en wat die doen voor je uitstraling, bewonderend gadegeslagen door een publiek waarin de modekleur paars opvallend veel voorkomt. Een jonge verkoper die een onzinverhaal vertelt door een rondzingende microfoon en ieder passerend groepje vrouwen van middelbare leeftijd toespreekt met 'zooo, dames!'.
En de award voor Quote van de Avond gaat naar de verkoper van de Telegraaf, die ons een bijna-gratis jaarabonnement probeerde aan te smeren. Ik vertelde hem vriendelijk maar beslist dat ik net de Volkskrant had opgezegd omdat ik die nooit las. Waarop hij reageerde: 'Ja, de Volkskrant, maar dat is ook veel te moeilijk! Véél te moeilijk!'
We eindigden de avond in het proeflokaal, waar we in de laatste twintig minuten dat de huishoudbeurs nog geopend was, nog even snel alle verkrijgbare proeflikeurtjes achterover sloegen. Daarna slenterden we weer terug naar het station, in een lange, tevreden rij. Het was best een leuke avond. Maar we gaan nooit meer.

4 februari 2009

Schoppen en stompen

Mijn motivatie voor de sportschool was de laatste maanden wat ingezakt. De ene keer moest ik nog een stapel dingen regelen voor een naderend welpenkamp, de volgende keer had ik twee reusachtige papers te schrijven en een andere keer had ik gewoon geen zin omdat het regende en ik net zo lekker naar Dharma & Greg zat te kijken. Maar dat is sinds gisteren allemaal veranderd. Sinds gisteren is de sportschool weer een baken van licht in mijn donkere, onsportieve bestaan.
Gisteren kwamen Willemijn en ik, na de tamelijk impulsieve beslissing om voor het eten nog even te gaan sporten, opeens in een klasje Kick Punch Aerobic terecht. Ik had het eigenlijk een beetje gehad met die klasjes, maar vooruit, dit wilde ik dan wel een keertje proberen. En je raadt het natuurlijk al: we waren meteen verslaafd. Niks geen moeilijke pasjes en dansjes, de oefeningen zijn zo simpel als de naam al verraadt: schoppen en stompen op de beat van pompende muziek, dat is alles. En ik had nooit gedacht dat ik dat zo leuk zou vinden. Het is een heerlijke manier om af te reageren. Blijkbaar had ik meer af te reageren dan ik zelf dacht. Een uur lang stond ik met veel plezier van me af te trappen en te slaan. Twee keer kwam de instructeur zelfs langs met een soort stevig kussen waar we om beurten zo hard mogelijk op in moesten meppen. Een beetje genant vond ik het wel, toen die man zo toe stond te kijken terwijl ik me uitleefde, en natuurlijk zei: 'Dat kan veel harder!' Stomp, stomp, stomp. Don't mess with me!
Aan het eind van de les waren Willemijn en ik het er over eens: volgende week weer. Willemijn had het zelfs over van dienst ruilen als haar werkrooster het kick-punchen niet zou toelaten. En ik heb op dinsdagochtend vanaf volgende week weer mijn yogaklasje. Lekkere combinatie: 's morgens een beetje sereen gaan zitten doen, 's middags denkbeeldige vijanden verrot schoppen. Nou ja, ik kan tenminste zeggen dat ik van alle markten thuis ben.

22 januari 2009

Autoliefde

Sinds een tijdje heb ik een milde auto-obsessie. Ik verbaas me nog steeds over mezelf. Auto's vielen me eerst nooit echt op. En als ze me opvielen, zag ik ze als genadeloze monsters die erop uit waren mij en mijn gammele fietsje te scheppen. Hoe vaak heb ik niet 'kutauto's' gemompeld als ik weer eens geen voorrang kreeg terwijl ik vond dat ik dat wel verdiende.
Sinds ik zelf rijles heb, is mijn gescheld op de auto's verstomd. Aan de ene kant omdat ik nu weet hoe lastig het is om je auto door de binnenstad te manoeuvreren zonder fietsers, paaltjes, toeristen en ter decoratie geplaatste zwerfkeien te raken. Aan de andere kant omdat auto's me nu ook echt interesseren. Over niet al te lange tijd heb ik er tenslotte hopelijk zelf een. Bij iedere auto die ik zie, ook bij de auto's die me niet al te sociaal bejegenen, kijk ik nu dan ook eerst naar merk, type, kleur en vorm. En ik plaats mezelf in gedachten altijd even achter het stuur. Zie ik mezelf in zo'n auto rijden?
Zo ben ik er achter gekomen dat ik mezelf niet alleen zie rijden in schattige ronde autootjes die in aandoenlijk felle kleuren zijn gespoten. Ook de wat lompere modellen en de wat oudere bakkies kunnen tegenwoordig mijn goedkeuring vaak wel wegdragen. Het zit er tenslotte dik in dat zo'n soort auto mijn eerste auto zal worden.
Maar het rijden zelf, dat is nog een ander verhaal. Een week geleden heb ik nog mijn tussentijdse toets totaal verkloot, wat tot gevolg had dat mijn afrijdatum maar beter kon worden verplaatst. Mijn zelfvertrouwen is daardoor natuurlijk tot het nulpunt gedaald, al hoort zo'n dip volgens Koop bij het leerproces en is het juist wel goed omdat je het daarna pas écht gaat leren. Maar aangezien ik sinds die dramatische toets ook niet meer gereden heb, blijf ik maar rondlopen met het gevoel dat ik het niet kan. En ik wil het zo graag. Boehoehoe.
Mijn auto-obsessie is dus misschien wel een soort manier om mezelf te troosten en moed in te spreken. Al die auto's worden tenslotte bestuurd door mensen die ook eerst met pijn en moeite hun rijbewijs hebben moeten halen. Die zullen zich ook weleens kapot geschaamd hebben omdat ze bij hun examen een auto in hun dode hoek over het hoofd zagen. En die hadden het op den duur ook gewoon door. Dus ik ook. Nog even volhouden dus, dan rij ik ertussen.

19 januari 2009

Timmerman

Zondagavond. Berend zit hard aan school te werken, ik hang melig en verveeld op zijn bed. Ik heb bijna het hele wakkere gedeelte van de dag in Nachttrein naar Lissabon liggen lezen en dat is echt zo'n soort boek dat op den duur je neus uitkomt als je er te lang achter elkaar in leest. Het is tijd om zelf weer eens iets te produceren. 'Berend...' jengel ik. 'Waar zal ik eens een verhaal over schrijven?'
'Schrijf maar een verhaal over... eh... een timmerman.... die... een stoel maakt voor een klant.'
'En die stoel vreet hem vervolgens op. Ik ga toch niet over een timmerman schrijven!'
'Dan schrijf je maar weer over een zestienjarig meisje dat een vriendje krijgt en bla bla bla.'
Oké, ik begrijp zijn punt en eigenlijk heeft hij daar ook wel heel erg gelijk in. Toch heb ik nog steeds geen zin om over uitgerekend een timmerman te schrijven. Wat kan daar nou in godsnaam interessant aan zijn? Ik grijp een blaadje en begin chagrijnig in het wilde weg te krabbelen. Een paar minuten lees ik Berend triomfantelijk de eerste stomme alinea van mijn stomme timmerman-verhaal voor.

Deze stoel moest zijn meesterwerk worden, besloot Jaap terwijl hij planken zaagde. Hij had in zijn vijftigjarige carrière als oude dikke timmerman nog nooit een fatsoenlijke stoel af gekregen. Boekenkasten, tafels, dat ging allemaal wel. Maar stoelen waren een soort blinde vlek. Die werden altijd scheef. Hij was dan ook niet zo'n beste timmerman, onze Jaap. Zijn weinige klanten kochten bij hem uit medelijden. De tafels en boekenkasten die hij afleverde werden meestal al snel vervangen door exemplaren van Ikea, die geen splinters vertoonden en niet gevaarlijk wiebelden. Jaap had hier natuurlijk geen idee van. Dat was maar goed ook. Hij zou nooit de moed gehad hebben zich aan die stoel te zetten.

Halverwege hoor ik Berend grinniken. Ik kan zelf mijn lachen eigenlijk ook niet inhouden. Het is eerlijk gezegd best een komisch stukje geworden. 'Stom hè,' sluit ik af, omdat ik natuurlijk niet meteen wil toegeven dat zijn idee misschien toch best leuk was. 'Nee, grappig,' zegt hij. 'Ik wil weten hoe het verder gaat met Jaap.'
Nou, vooruit dan maar. Ik schrijf verder en ik krijg er steeds meer lol in. Al staat Jaap als persoon mijlenver van mij af, ik begin toch een beetje van hem te houden. Niet zoveel dat ik een heel boek over hem zou kunnen schrijven, maar genoeg om er een leuk, afgerond verhaaltje van te kunnen maken, dat Berend illustreert met een tekeningetje van een gammele stoel. Ik ben tevreden en stiekem zelfs een beetje trots op mezelf: ik heb het gewoon voor elkaar gekregen een leuk verhaal over een timmerman te schrijven!

Als jij na de eerste alinea ook benieuwd bent hoe het verder gaat met Jaap: ik zal zijn verhaal (dat de titel 'de Rietveld van de arbeidersklasse' heeft gekregen) als pagina bij mijn weblog posten.

23 december 2008

Pony

Ongeveer zes weken geleden kwam ik opeens met een pony thuis. Nog geen week daarvoor waren Joke en ik het er over eens dat een pony absoluut niets voor mij zou zijn: niet met mijn gezicht, niet met mijn haartype. En toen had ik er dus toch opeens een. Het ontstaan van de pony berustte dan ook voornamelijk op een misverstand tussen de kapster en mij. Ik had gezegd dat ik een lok wilde, en blijkbaar had ik er ook even bij moeten zeggen dat ik een lange lok wilde. Of zoiets. Deze lok was zo kort dat-ie ook makkelijk als pony kon fungeren.
Ik vond het hebben van een pony eigenlijk verrassend leuk. Ik kon er lekker mee variëren: soms droeg ik 'm als lok opzij, soms kamde ik 'm naar voren als pony. Bovendien gedroeg mijn haar zich voorbeeldig in ponyvorm; geen ongewenste golfjes, krulletjes en plukjes. Het viel dus alleszins mee, ik droeg de kapster ons misverstand helemaal niet na, ik was haar er zelfs wel dankbaar voor. Dit was weer eens écht iets anders!
Maar het nadeel van een pony is natuurlijk: hij groeit. Sneller (nou ja, zo lijkt het) en opvallender dan de rest van je haar. En omdat het nogal zonde van je geld is om alleen voor je pony naar de kapsalon te stappen, besloot ik 'm zelf bij te knippen. Dit stelde ik vervolgens nog een week uit, en gisteren besloot ik dat er ik maar aan moest geloven. Het wordt tenslotte echt te vervelend als je haarpunten standaard een lik mascara mee krijgen.
Dus daar ging ik, kam in de aanslag, schaar in de aanslag. Héél voorzichtig begon ik een paar millimeter van mijn pony af te knippen. Dat ging goed. Ik werd iets overmoediger. Er kon nóg wel een klein stukje vanaf. En toen ging het natuurlijk zoals het altijd gaat als ik mijn eigen haar probeer te knippen: die pluk is korter dan de rest, dus van de rest moet ook een stukje af, en dan knip ik wéér een pluk korter dan de rest, dus van de rest moet nóg  een stukje af... gelukkig herkende ik deze valkuil dit keer op tijd en hield ik op met knippen. Het moest er maar mee door.
Ik ben dus achtergebleven met een scheve, onregelmatige pony die in niets lijkt op de pony zoals de kapster die zo mooi geknipt had. Mijn haar vindt mij ook absoluut geen autoriteit wat knippen betreft: het is opeens driftig aan het rebelleren geslagen. Enter ongewenste golfjes, plukjes en krulletjes! En als lok opzij gedragen worden wil mijn pony opeens ook niet meer. Het kan er natuurlijk ook aan liggen dat het knippen met een goedkoop Ikea-schaartje een heel ander effect geeft dan met alle tools die de kapster tot haar beschikking heeft. Bijvoorbeeld dat leuke dingetje waarmee ze altijd zzt-zzt-zzt zo'n lok snijden.
Gelukkig groeit je haar een centimeter per maand en is een centimeter ruimschoots genoeg om de schade te herstellen. Gewoon een kwestie van afwachten dus, met een hoop gel, speldjes en haarbandjes. En daarna weer braaf naar de kapper. Want als je eenmaal met een foute pony rondloopt, weet je weer dat een mooie pony die 25 euro voor een kappersbezoekje ruimschoots waard is.

15 december 2008

Jingle Bell Rock

Vorige week woensdag was het zover: op mijn kamer werd de kerstboom weer neergezet. Dit is bij mij onderdeel van een heel ritueel: het hoera-Kerst-mag-weer-ritueel, wat gepaard gaat met het luid draaien van kerstliedjes en het voorzichtig maar verrukt uitpakken van vergeten kerstversiersels. Het zou verstandig zijn om te zorgen dat niemand me kan zien terwijl ik me gelukzalig omring met kerstprullaria: dit jaar was ik niet zo voorzichtig, wat me op een paar verbijsterde blikken van huisgenoot Erwin kwam te staan.
Het is misschien inderdaad een beetje fout, mijn diepe liefde voor kerst. Helemaal omdat ik de rest van het jaar glashard beweer dat ik Sinterklaas eigenlijk leuker vind, omdat je dan tenminste nog sarcastische gedichten mag schrijven en hilarische cadeauspelletjes mag doen. Maar zodra de Sint zijn hielen heeft gelicht, wordt pijnlijk duidelijk dat mijn voorkeur toch echt uitgaat naar Kerst. Ik probeer nog een paar dagen respectvol te wachten tot de goedheiligman op z'n minst moet zijn aangemeerd in Spanje, maar dan komt toch echt onherroepelijk de kerstboom tevoorschijn. En de kerstmuziek.
Dat is ook zoiets. Zodra Kerst in zicht komt, maakt mijn muzieksmaak een duikeling. Omlaag, vrees ik. Ik heb een vaste collectie kerstliedjes die elk jaar weer worden gedownload (nu ik eindelijk een beetje een normale computer heb denk ik dat ik ze er maar gewoon op laat staan voor volgend jaar). Die collectie bestaat uit klassiekers (Rudolph, Winter Wonderland, dat werk), gruwelijk foute nummers (All I want for Christmas is you, Last Christmas) en wat liedjes die daar een beetje tussenin zitten. Verder behoort ook de kerstcd van Sarah McLachlan (Wintersong) tot mijn jaarlijkse kerstcollectie. Die beveel ik trouwens van harte aan: een beetje zweverig, maar erg mooi, en helemaal niet zo fout.
Het ligt waarschijnlijk helemaal niet aan Kerst zélf dat ik het allemaal zo leuk vind. Het is echt niet dat die liedjes nou zo geweldig zijn dat ik ze het hele jaar wel zou willen draaien, of dat ik vind dat mijn kamer significant mooier wordt van een kerstboom. Het heeft allemaal te maken met associaties. De muziek, de versieringen en de algehele kerstsfeer overal (inclusief de grote plastic rendierkop bij Albert Heijn, die luidkeels Sweet Home Alabama begint te zingen als ik voorbij loop) herinneren me aan de gezellige kerstweken van eerdere jaren. Doordat die herinneringen worden getriggerd worden er waarschijnlijk allemaal geluksstofjes aangemaakt in mijn hersenen, die ervoor zorgen dat ik Driving home for Christmas maar weer eens opzet. Wat trouwens ook mijn favoriete kerstliedje is. Denk: sneeuw, overal lichtjes en de wetenschap dat je naar huis gaat om Kerst te vieren... mmm. Dan maar fout; ik geniet ervan!

28 november 2008

NaNoWinner

Nano_08_winner_largeBijna onfatsoenlijk trots op mezelf kondig ik hierbij aan:  I did it! Ik heb 50.000 woorden geschreven in één maand. Of eigenlijk in drie weken. Want ik begon precies drie weken geleden, op 6 november, even tussen de bedrijven door, vlak na het avondeten en vlak voor een avondje fitness. Lijkt me wel vet, dacht ik. Waarom niet?
Ik verwachtte natuurlijk niet dat ik het ook echt zou halen. Maar hoe verder ik kwam, hoe meer NaNo's ik sprak, hoe meer peptalks ik op de website las, hoe sterker de wil werd om te winnen en daar desnoods een heleboel voor opzij te zetten.
Mijn to do-lijstje is inmiddels schrikbarend lang. Ik lig lappen tekst achter op het leeswerk voor mijn studie. Ik heb vandaag zonder enige vorm van voorbereiding een college over Ivanhoe uit moeten zitten en wist zelfs nog wat zinnig commentaar te geven hier en daar. Ik heb zo vaak tot 's nachts doorgewerkt, dat mijn ritme een paar uur is opgeschoven: dit voormalige ochtendmens komt de laatste dagen niet voor elven op gang en ligt niet voor tweeën onder de wol. Ik heb zere schouders, zere armen, zere handen. Maar ik heb het gedaan. In heb het volgehouden. Ik heb het afgemaakt. En hoewel er nog veel, héél veel aan geschaafd moet worden, ben ik zelfs trots op wát ik heb geschreven. Op de wending die het verhaal uiteindelijk opeens nam. Waardoor ik er achter kwam dat wat ik hiervoor allemaal geschreven heb eigenlijk veel braver is dan dit geheel nieuwe verhaal. Dit verhaal is, zeker het laatste stuk, nogal treurig, donker en hier en daar behoorlijk twisted. En ik heb ontdekt dat ik dat eigenlijk veel leuker en interessanter vind om te schrijven. Deze kant wil ik vaker opgaan!
Ik ga nu een biertje drinken (bij gebrek aan wijn, helaas), me door een trotse Berend laten knuffelen, een bureaubladachtergrond maken van mijn winner-icoontje en gelukzalig staren naar mijn uiteindelijke woordenaantal. En dan ga ik heerlijk slapen. Ik heb het verdiend.

Nanowinner

23 november 2008

Opknussen

Het is zondagmiddag. Buiten sneeuwt het. Binnen moet ik eigenlijk schrijven. 20.000 duizend woorden staan er op het programma, in één week. Daar zie ik een beetje tegenop en bovendien wil de inspiratie niet echt stromen dit weekend (terwijl dit hét grote schrijfweekend zou worden, maar ja, je weet hoe dat gaat). Dus ik staar afwisselend naar buiten en naar het computerscherm, maak af en toe een opmerking over de sneeuw die helaas niet echt blijft liggen en kom op een lumineus idee: dit is nou het perfecte moment om die Ikea sfeerwaaier te maken waarover ik Berend al aan zijn hoofd heb lopen zeuren sinds ik die van Joke en Ralf onder ogen heb gekregen.
Je kent de sfeerwaaier misschien wel van de reclame. De bedoeling is dat je met 'het hele gezin', in ons geval bestaande uit twee lattende studenten met vage plannen op samenwoongebied, lekker gaat zitten scheuren in de Ikeagids en dingen die je leuk vindt bij elkaar plakt en voorziet van commentaar, zodat je hopelijk een beetje een consistent geheel krijgt en ziet welke kant het op moet met jullie woninkje. Leek me erg leuk en gezellig, echt zo'n activiteit voor een zondagmiddag waarop het buiten sneeuwt.
Helaas reageerde Berend niet bijster enthousiast op mijn voorstel om een sfeerwaaier te gaan maken; hij zei nog net niet 'moet dat?' maar bedoelde dat duidelijk wel. Misschien is het maken van een sfeerwaaier ook typisch een vrouwenactiviteit. Uiteindelijk stemde hij gelukkig wel toe, zij het enigszins zuchtend.
We gingen aan het werk. Vulden onze emailadressen in, vinkten aan welke onderdelen we voor onze rekening zouden nemen (voorspelbaar genoeg zou ik 'sfeer' en 'comfort' doen en Berend 'ruimte' en 'activiteit') en uploadden allebei een foto die boven onze sfeerstaaltjes zou komen te staan.
Maar helaas: zelfs het vreedzaam maken van een Ikea-sfeerwaaier blijkt een illusie. Eerst was daar de teleurstellende ontdekking dat we niet bijster veel keus hadden bij het kiezen van items. 'Persoonlijke sfeer'? Mooi niet dus. Vervolgens kreeg ik ernstige ruzie met de balkjes waarin ik de begeleidende tekstjes probeerde te typen, die mijn woorden op de meest rare plekken afkapten en niet de mogelijkheid bleken te hebben op de volgende regel verder te gaan. Pas veel later ontdekte Berend dat dat kon door heel veel spaties achter elkaar te zetten. Na de eerste flap dreigden we nog even onze waaier in deze onvoltooide vorm definitief te hebben opgeslagen, maar dat viel gelukkig mee. Bij mijn tweede flap bleek na het opslaan opeens al mijn tekst weg; alles opnieuw typen dus. En opnieuw vechten met onbuigzame tekstbalkjes.
Ook Berend had de nodige problemen bij het maken van zijn staaltjes, al begon hij er natuurlijk ook niet helemaal onbevooroordeeld mee. Het tekstbalkje had grote moeite met het verwerken van de door mij opgedragen tekst 'de grote vriend van Ludde' en ook Berend vond de keuze aan meubilair veel te klein, waardoor hij uiteindelijk maar onzindingen ging opplakken die hij voorzag van commentaar als 'lelijke kruk' of 'ook handig als brievenbus'.
Dit alles ging vergezeld van grote schelcannonades. Al snel keken we er niet meer van op als één van ons opeens heel hard 'TYFUS!' riep. Het was, kortom, alsof we een Ikea-meubel in elkaar aan het zetten waren. Toch handig van de Ikea mensen, dat ze dat typische Ikea-gevoel zelfs in hun sfeerwaaiers laten terugkomen.
Neemt niet weg dat ik nog steeds met grote hebberigheid door de Ikeagids blader. En stiekem verheug ik me best op de komst van onze eigen sfeerwaaier, die binnenkort in de bus valt, compleet met lelijke kruk en handige brievenbus. En ergens was het toch ook wel heel knus om, met een bak pepernoten binnen handbereik, samen eens fijn en hartgronding op Ikea te schelden. Ze noemen het dus toch niet voor niets 'opknussen'.

17 november 2008

Schrijf of sterf

Nanowrimo_participant_icon_122x244 Ik zoek het adres van de website op in mijn bookmarks. Ik kan het inmiddels wel in mijn veelgebruikte websites-balkje zetten, zo vaak ga ik er naartoe. Een zwart scherm wordt geopend. 'Dr. Wicked.com' staat er dreigend in beeld. Ik zet een muziekje op, voer '1000 woorden' in bij 'word count' en '30 min' bij 'time goal'. Ik haal diep adem en klik op 'write'. Jawel: ik ga 1000 woorden schrijven in een half uurtje. En daarna doe ik nog zo'n sessie. En als ik echt heel veel inspriratie heb of vind dat ik er gewoon even flink aan moet trekken vandaag, doe ik er daarna nóg een.
Het is niet alleen het schrijven. Daar heb ik deze website niet voor nodig; dat kan ik ook wel met mijn tekstverwerker. Het unieke aan  het Write Or Die-programma van Dr. Wicked's Writing Lab is het luide getoeter en het rode scherm waarmee ik word gewaarschuwd als ik weer eens afdwaal. Je kunt zelfs instellen dat je woorden een voor een worden verwijderd als je te lang niets intypt, maar zo wanhopig ben ik gelukkig nog niet. Het getoeter is genoeg om me eraan te herinneren wat ik ook alweer wilde: schrijven, zo snel mogelijk, zoveel mogelijk, zo associatief mogelijk.
Waarom doet een weldenkend mens dat? Dat zit zo: ik doe mee aan NaNoWriMo, voluit National Novel Writing Month. Dat 'national' is er inmiddels wel af; mensen van over de hele wereld doen mee en proberen het einddoel te halen: in één maand een roman van 50.000 woorden schrijven. Het lijkt een bijna onmenselijke opgave, maar ieder jaar zijn er weer veel mensen wie het lukt. Sommigen houden er een streng schrijfregime op na, anderen beginnen halverwege de maand en offeren een paar weekends op. Wat er geschreven wordt is in veel gevallen utter crap maar daar kan altijd nog aan geschaafd worden in december. Want bij NaNoWriMo gaat het niet om kwaliteit, maar om kwantiteit. Het gaat erom dat je schrijft, dat je alle zelfkritiek loslaat en gewoon alles wat er in je opkomt op papier ramt, zo lang het maar een beetje een consistent verhaal vormt. En dat werkt bevrijdend. Ik denk niet meer na over mooie zinnen, uitgevers, mijn eigen talent. Ik schrijf gewoon, laat het allemaal maar komen.
Ik ben te laat begonnen, op 6 november pas, en ik ben net over de 15.000 woorden heen terwijl ik er over minder dan twee weken dus al 50.000 moet hebben. Maar ik denk er niet teveel over na. Ik vertrouw erop dat mijn inspiratie en de drive om de deadline te halen en daar desnoods een nachtje voor door te trekken wel zullen toenemen als 30 november dichterbij komt. Ik wil het halen. Ik wil nu eens niet opgeven. En ik sta verbaasd van mezelf. Dat ik zoveel kan schrijven in zo weinig tijd, als ik mezelf er maar echt toe zet. Dat er zoveel uitkomt: allerlei dingen waar ik de afgelopen jaren mee bezig ben geweest gieten zich nu opeens in de vorm van een verhaal. Sommige stukken zijn inderdaad saai of voorspelbaar of lijken gewoon teveel op wat ik hiervoor al heb gedaan. Maar andere stukken vind ik verrassend goed. In december heb ik in elk geval een enorme lap ruwe tekst waar ik dan lekker mee aan de slag kan. Zelfs al blijft er uiteindelijk een kort verhaal over, dan heb ik in elk geval keihard gewerkt om die deadline te halen.

6 november 2008

Ongerichte student

Op de middelbare school moest ik ooit een leerstijlentest doen. De uitkomst was weinig verrassend: ik was een Ongerichte Leerling. Met de uitkomst is weinig gedaan, ik denk dat het vooral een signaal was voor de docente: die moeten we in de gaten houden. Maar ongericht of niet, ik haalde ieder jaar weer makkelijk. En vervolgens mijn eindexamen. En vervolgens het grootste deel van de vakken van mijn bachelor Taal- en Cultuurstudies.
Hoe ik het voor elkaar krijg, begrijp ik zelf af en toe ook niet helemaal. Ieder blok begin ik met de beste voornemens: alle opgegeven stof netjes ruim vóór college lezen en niet 's morgens in bed voor het college om 9 uur begint. Ruim op tijd een onderwerp en scherpe onderzoeksvraag voor een eventueel paper verzinnen en daar zeker al halverwege het blok aan beginnen, in plaats van een uur voor de deadline nog een zinnige conclusie moeten verzinnen en vervolgens het hele document bijna wissen omdat er iets misgaat met de paginanummering, anderhalve minuut voor ik de deur uit moet rennen. Toch draait het daar altijd weer op uit.
Maar het komt altijd goed. Soms met een mager zesje, maar soms ook met een dikke acht. Daardoor word ik natuurlijk steeds roekelozer. Vragen van docenten over teksten die ik niet eens heb gezien weet ik met een serieuze frons en een, uiteraard na een nadenkende stilte geuit, 'Nee... dát zou ik even niet weten' te omzeilen. Bij tentamens heb ik meestal toch genoeg van de stof meegekregen om te weten wat ze van me willen horen. En zelfs als ik de vraagstelling pas een week voor de deadline bedenk, als ik eenmaal op gang ben, schrijf ik een paper toch vrij makkelijk in een paar dagen. Daardoor wordt mijn uitstelgedrag zelden echt gecorrigeerd. Inmiddels denk ik heel makkelijk: het loopt wel los, ik bluf me er wel doorheen.
Maar morgen ga ik door de mand vallen. Morgen heb ik mijn eerste mastertentamen. Mondeling ook nog eens. En ik heb amper geleerd. Ik wilde het wel, echt. Maar eerst was er dat paper dat heel veel tijd opslokte. En toen werd ik ziek, waardoor ik daarna nog met dat paper bezig was terwijl ik eigenlijk al had moeten leren. Toen had ik rijles, en daarna mijn laatste yogales die ik natuurlijk ook niet kon skippen. Toen ging ik naar Delft om Joke te helpen haar nieuwe kamer in te richten, en bleef ik voor het gemak ook maar slapen. Toen was ik daarna 's morgens toch wat later in terug Utrecht dan ik berekend had. Toen was er opeens nog een college waar ik toch even mijn gezicht wilde laten zien, om de docent die mij morgen het vuur aan de schenen gaat leggen alvast gunstig te stemmen. Toen had ik het veel te gezellig met Berend. Toen had ik weer rijles. Toen zat ik aan mijn bureau en las ik wel de woorden, maar nam ik er ongeveer de helft van op.
En morgen zit ik waarschijnlijk dus voor schut. Hoewel hij heeft gezegd dat hij voornamelijk de grote lijnen zal vragen, heb ik het vermoeden dat die lijnen ook weer niet zó groot zullen zijn. En op papier kan ik me er toch een stuk beter uit lullen dan mondeling. Ik ben bang dat de docent morgen bij de eerste vraag al getrakteerd zal worden op mijn serieuze frons. 'Nee... dát zou ik even niet weten.' Volgende vraag?

21 oktober 2008

Drukteverzuim

Vandaag is alweer de derde keer dat ik een yogales oversla omdat ik het te druk heb. Ja, ik weet het, ik wéét het, in tijden van drukte zou ik júist naar yoga moeten gaan om alle stress eens fijn weg te stretchen. Maar daar heb ik dus geen tijd voor. Ik moet morgen een presentatie houden van drie kwartier over de geschiedenis van het jeugdboek in Nederland, en ik moet daarvoor nog twee eeuwen doorploegen, vermoedelijk juist de eeuwen waaraan de dikste hoofdstukken zijn gewijd in het lijvige werk waaraan ik mijn informatie over de geschiedenis van het jeugdboek ontleen. Er blijkt een lawine aan materiaal te bestaan over het onderwerp waarvan ik juist dacht dat het leuk afgebakend was. Waarom dacht ik dat eigenlijk?!
Ik heb een yogapakket voor mijn verjaardag gevraagd én gekregen. Matje, instructiedvd voor beginners, hulpmiddelen om de posities beter te kunnen uitvoeren. Ik heb het pakket nog niet eens aangeraakt. De ene keer ben ik te moe, de volgende keer heb ik niet genoeg tijd om de dvd helemaal door te werken (ik moet het natuurijk wel góed doen) en weer een andere keer vind ik het zonde om dat mooie nieuwe yogamatje neer te leggen op mijn vloer die bezaaid ligt met stukjes hooi en stro die zich vanuit het hok van Sam geniepig door mijn hele kamer verspreiden.
Nu ik dit schrijf, overvalt me opeens de dringende behoefte om mijn blote voeten op zo'n matje neer te zetten en eens fijn te rekken en te strekken. Het is nog niet te laat. Ik zou over ruim een uur pas de deur uit hoeven. Ik wil helemaal niet weer een les missen. Ik heb betááld voor die lessen! Ik wil spirituele verlichting, verdomme!
Oké, ik weet dat het studietechnisch gezien misschien niet heel slim is, maar over een uur slinger ik toch mijn Björn Borg sporttas over mijn schouder en spring ik op de fiets. Op naar de Uithof. Ze hebben bij Olympos niet voor niks zo'n 'als je fit bent denk je beter'-spandoek hangen.

16 oktober 2008

Hospiteeravond

Ik heb er twee verhalen aan gewijd en het ook regelmatig zelf moeten doen: hospiteren. Oftewel: me in een leuk outfitje hijsen, door weer en wind naar een of ander studentenhuis fietsen, mezelf in een paar zinnen proberen te omschrijven, veel glimlachen en hopen dat ik daar mocht komen wonen. Om een paar uur later (in enkele extreme gevallen zelfs een paar dagen later) het onvermijdelijke telefoontje te krijgen: 'We hebben er heel lang over moeten vergaderen...' 'Ik vind het vervelend om dit te moeten zeggen...' of gewoon simpelweg:  'Je bent het helaas niet geworden.' Tot ik op een ochtend, juist toen ik het totaal niet verwachtte, een smsje kreeg: 'Hoi Eline, ben je nog op zoek naar een kamer? Bij ons in huis komt weer een kamer vrij, dus als je wilt, mag je die hebben.' Dat was dus het einde van alle hospiteerellende.
In de kleine twee jaar dat ik hier woon, heb ik zelf nog nooit een hospiteeravond hoeven organiseren. Daarom vond ik het stiekem wel leuk toen Berends huis een hospiteeravond ging houden en vroeg ik heel brutaal of ik erbij mocht zijn, aangezien ik daar toch ook wel een beetje woon. Het mocht: hoera! Eindelijk zou ik eens aan de andere kant zitten. Eindelijk was ík degene die mocht beoordelen. Al had ik officieel natuurlijk niet echt een stem, dat maakte de pret er niet minder om. Het leek me gewoon leuk om met al die mensen te praten en de leukste te kiezen.
Leuk was het zeker. Vooral in het begin, toen we allemaal nog fris waren en nog de energie konden opbrengen om leuke vragen te bedenken en ook echt geïnteresseerd te zijn in het antwoord. Al snel werden we een beetje melig en zat Joke nietsvermoedende hospitanten te vertellen dat Berend nazistische ideeën koesterde en for obvious reasons streefde naar een huis vol blonde vrouwen. De een na de ander kwam binnen en werd onderworpen aan ons kruisverhoor. 'Hoe sta je tegenover Sinterklaas / pannenkoeken / cavia's?' 'Waarom zouden we jóu moeten kiezen?' en: 'Vertel eens iets leuks.'
'Iets leuks?'
'Ja, gewoon, iets leuks, iets dat je kwijt wilt.'
Deze vraag werd in ongeveer de helft van de gevallen beantwoord met: 'Eh...'
Toch had ik wel een beetje medelijden met die hospitanten, vooral bij deze laatste vraag. Ik zou ook niet zomaar 'iets leuks' uit mijn mouw kunnen schudden. En die inside jokes van ons werden vast ook niet door iedereen gewaardeerd. Misschien vonden ze ons wel intimiderend. Een vervelend kliekje met rare humor en sneaky maniertjes om te testen of deze potentiële huisgenoten slaagden op humorgebied.
Aan de andere kant zitten is óók lastig. Het is nog altijd een stuk leuker, dat wel, want je hebt je veilige plekje allang in de wacht gesleept. Maar in plaats van dat je je afgewezen voelt, zit je nu met het schuldgevoel. Dat meisje dat al 23 keer gehospiteerd had, moesten wij haar nu alwéér afwijzen? Konden we haar dat aandoen? Maar aan de andere kant, was dat dan óns probleem?
We hadden al redelijk snel het grootste deel van de hospitanten vriendelijk maar beslist geëlimineerd. 'Die wordt niet gelukkig hier.' 'Volgens mij kan zij best een bitch zijn als het erop aankomt.' 'Ik mis bij hem het enthousiasme.' Uiteindelijk hadden we er twee over, waarvan één er voor mijn gevoel de hele tijd al uit sprong. Er was was discussie voor nodig, maar hij werd uiteindelijk ook gekozen. Hoera, de kogel was door de kerk, een nieuwe huisgenoot/buurman was gevonden!
En dan komt de kater: nadat je de winnaar op de hoogte hebt mogen stellen, moeten de verliezers worden gebeld. Een gruwel voor een zachtaardig persoontje als ik. Ik heb ook weleens verhalen gehoord van mensen die boos worden of cynisch zeggen: 'Gefeliciteerd, jullie zijn het tiende huis dat mij heeft afgewezen.' (Al denk ik dat in zo'n geval wel mooi wordt bewezen dat het een goede beslissing was om die persoon niet uit te kiezen) Gelukkig kwam ik er mooi onderuit, want we besloten unaniem dat Berend de onheilsboodschapper mocht zijn omdat het hem het minst kon schelen. Moeiteloos belde hij ze allemaal op. Niemand werd boos. Maar ik weet precies hoe ze zich voelden: mat, teleurgesteld. Na het ophangen hebben ze waarschijnlijk in hun agenda zitten bladeren naar hun volgende hospiteeravond.

13 oktober 2008

Anorexicavia

Een week geleden verwonderde het me nog hoeveel Sam kon eten. De hele dag door zat ze te knagen, het kon niet op. De voor een mens dagelijks aanbevolen hoeveelheid groente en fruit werd door haar ook ruimschoots verorberd. Als ik zat te lezen of in bed lag, hoorde ik meestal haar geruststellende geknabbel als achtergrondmuziek. Als ik of een van mijn huisgenoten de koelkast opendeed, begon ze luid te piepen. Voer mij! Voer mij!
Tot er vorige week opeens iets vreemds gebeurde. Vanuit het niets maakte Sam opeens een enorme duikeling door haar hok, en vanaf dat moment was het opeens duidelijk dat ze helemaal niet lekker in haar velletje zat. Eten wilde ze niet. En de volgende dag - uitgerekend op mijn verjaardag, alsof het haar persoonlijke cavia-surpriseparty was - sprong ze drie keer achter elkaar uit haar hokje om maniakaal door mijn kamer heen te rennen. Niet goed, dacht ik. Dus: Sam op een handdoek in mijn rugzak, heel voorzichtig op de fiets naar de dierenarts.
Daar konden ze niets ernstigers vinden dan een wondje op haar lip. Ze kreeg een pijnstiller en ik kreeg daar nog een paar doses van mee naar huis, zodat het eten geen pijn meer zou doen en ze daar hopelijk weer mee zou beginnen. Gelukkig at ze dezelfde avond nog wat boerenkool van Joke en ook de peterselie van Ida ging er goed in. Ik haalde opgelucht adem.
Sam is inmiddels weer helemaal beter en hobbelt weer lekker door haar hok, zij het wat minder uitbundig dan voorheen. Ze knaagt enthousiast aan haar hooi en stro en ook het voer uit haar bakje lust ze weer. Maar om een onverklaarbare reden eet ze bijna geen groente of fruit. De sperziebonen die ik speciaal voor haar heb gekocht, worden minachtend afgewezen, terwijl ze daar de vorige keer nog vrolijk op aanviel. Dat kan natuurlijk ook komen doordat de vorige lading sperziebonen vers van het land van mijn opa kwam en deze van Albert Heijn, maar zo'n verfijnde smaak zullen cavia's wel niet hebben. Ook de met liefde en zorg gekochte spinazie en peterselie draait ze hooghartig haar ruggetje toe. Als ik geluk heb, verwaardigt ze zich om van de peterselie het steeltje op te eten. Van de stukjes peer die ik in het hok leg, neemt ze een paar zuinige hapjes. Net heb ik bij wijze van groenteoffensief een complete tomaat en een aantal druiven in haar hok gelegd, maar nog steeds knabbelt ze nukkig op een strootje, als een kleuter die heeft besloten dat hij vanavond alleen patat wil.
Van het wondje op haar lip is niets meer te bekennen en verder blijkt uit niets dat ze pijn heeft, dus ik beschouw het maar als een gekkigheidje (al zou het natuurlijk kunnen dat ik nu allemaal bezorgde reacties krijg van cavialiefhebbers die roepen dat ik ONMIDDELIJK nog eens met haar naar de dierenarts moet). Maar ongezellig is het wel. Ik mis haar enthousiaste gepiep bij het gekraak van de koelkastdeur en ik mis de gulzige kracht waarmee ze de groente uit mijn vingers trekt om het naar haar holletje te slepen. Morgen ga ik het maar weer eens met andijvie proberen...

5 oktober 2008

Herfst

Een nieuwe aflevering van De Vreemde Kronkels Van Mijn Brein: terwijl ik dit schrijf zit ik naar buiten te kijken en te genieten van het feit dat het regent en waait. Fijn, herfst! Dat ik me vandaag niet buiten de deur hoef te wagen helpt natuurlijk mee, maar zelfs als ik wel de veilige beschutting van mijn kamer moet verlaten hou ik van de herfst. Van grauwe luchten, gele en bruine bladeren die over de weg dwarrelen en onstuimige regenbuien (dat laatste dus vooral als ik er niet doorheen hoef te fietsen).
De andere seizoenen stellen eigenlijk voortdurend teleur: je blijft hopen op mooi weer en het komt maar niet. In de winter hoop je op sneeuw en ijs en dat komt nog minder vaak voor. Soms een paar dagen, maar er komt meestal weer snel een einde aan de pret. De herfst is in dat opzicht eerlijk en rechtdoorzee: je verwacht kutweer en je krijgt het ook. En als de zon dan een paar dagen schijnt is dat weer mooi meegenomen.
De herfst is ook altijd zo knus: niets is voor mij fijner dan een middag op de bank met een pot thee, een bak pepernoten en een dik boek. En dan maar kijken hoe mensen in onelegante regenponcho's voorbijfietsen, en voetgangers zien worstelen met omklappende wegwerpparapluutjes. Dit alles tegen een decor van prachtige gele, oranje en soms zelfs knalrode bomen. Doet u mij nog maar een paar maanden herfst.

29 september 2008

Perfectionist

Iedereen heeft van die karaktereigenschappen die hij of zij steeds weer tegenkomt. Als gemene sluipschutters liggen ze steeds weer op de loer om alles wat je probeert nog even wat moeilijker te maken.
Bij mij is perfectionisme zo'n eigenschap. Je zou het misschien niet zeggen als je me aan ziet klooien, en zeker niet als je mijn cijferlijst ziet (ik ben duidelijk een zesjescultuur-student in hart en nieren), maar in mijn hart ben ik ontzettend perfectionistisch. Ik heb een mentaal plaatje van een perfecte wereld met daarin een perfecte hoofdrol voor mijn perfecte zelf. Een wereld waarin treinen net een minuutje langer wachten om mij de gelegenheid te geven er nog net op tijd in te springen, gekleed in de mooiste jas die er in de stad te krijgen is, met lang, glanzend haar en een indrukwekkend boek onder mijn arm. Waarin ik in mijn soepele sportbroek moeiteloos en sereen glimlachend de ene asana na de andere doe. Waarin ik met wapperende haren, hoge hakken en harde muziek over de snelweg scheur, zonder hartkloppingen te krijgen als ik moet terugschakelen.
Met zo'n wereldbeeld word je natuurlijk voortdurend teleurgesteld. Daar heb ik mee leren leven. Soms lukt het me zelfs om niet teveel te verwachten. Maar dat gaat dan om de omstandigheden. Van mezelf verwacht ik altijd veel. Idioot veel zelfs. Toen ik twee weken stageliep, vond ik dat ik nu toch echt geen vragen meer mocht stellen. Resultaat: een verkrampte stagiaire die onhandige fouten maakte, en een begeleidster die het juist vreemd vond dat ik zo op mezelf was en zelden iets vroeg.
Toen Sam net bij me inwoonde, wilde ik meteen de ideale troetelcaviamama zijn. Ik haalde haar twee keer per dag uit haar hok omdat een caviawebsite zei dat dat moest om haar 'handtam' te maken, nam haar voortdurend op schoot en liet haar rondhollen door mijn kamer, om daarna tien minuten achter haar aan te jagen om haar te pakken te krijgen, elk aanbod van hulp van Berend fel afslaand (toegegeven, dit gebeurt nog steeds wel eens). Resultaat: een volkomen gestreste cavia die wegkroop in de verste hoek van haar hokje als ik probeerde haar te pakken. Pas toen ik het oppakken helemaal achterwege liet, behalve wanneer haar hok moest worden schoongemaakt, ontspande ze wat. Ze vertrouwt me nu meer dan toen ik probeerde haar 'handtam' te maken.
Mijn rijvaardigheid is natuurlijk ook een enorme bron van perfectionistische frustratie. Na het halve weekend voor mijn theorie geleerd te hebben, had ik vandaag het onbestemde gevoel dat ik in de praktijk toch ook wel wat vooruitgang moest laten zien. Ik had zelf het idee dat het best lekker ging en dat ik er naar omstandigheden redelijk ontspannen bij zat. Maar tot mijn verbazing zei mijn instructeur aan het eind van de les dat hij het vandaag helemaal niet goed vond gaan. De vorige les ging het veel beter, toen reed ik veel relaxter. Terwijl ik toen juist -tig keer de motor liet afslaan en zelfs een keer werd uitgelachen door passerende studenten. Stilletjes zat ik achterin de auto terwijl de volgende leerling me naar huis bracht.
Het zette me wel aan het denken, dat ik blijkbaar slechter reed terwijl ik zelfverzekerder achter het stuur zat. Alsof ik mezelf verbeeld dat ik het allemaal al wel zo'n beetje kan omdat ik niet wil inzien dat ik nog een lange, lange weg te gaan heb. Ik hou er niet zo van om iets te moeten leren. Ik wil alles gewoon kúnnen. Mijn moeder zei het al toen ik leerde fietsen. 'Nog even en je kunt ermee lezen en schrijven.'
'Maar ik kan er nu in elk geval al wel een beetje mee lézen, toch mama?' Terwijl ik bijna tegen een paaltje aan reed. Soms denk ik echt dat ik sinds mijn vierde in wezen helemaal niets veranderd ben.

23 september 2008

Rijles (2)

En ja, uiteindelijk ben ik natuurlijk toch gezwicht. Na het plaatsen van mijn vorige blog realiseerde ik me opeens dat ik nog een bon voor een gratis rijles in mijn portemonnee had zitten. Die kon ik toch op z'n minst opmaken. Dus ik belde, maakte een afspraak, en gisteren mocht ik, om 9 uur 's morgens. Opstaan, drinkontbijtje wegklokken, en fris achter het stuur. Ideaal.
Zoals ongeveer alles waarmee ik begin, was ook dit een stuk lastiger dan ik me had voorgesteld. Misschien had ik ergens écht gedacht dat ik met wapperende haren zou wegscheuren. In eerste instantie hoefde ik alleen maar te sturen en richting aan te geven. Waarbij de eerste opmerking van de instructeur was, gepaard met een flinke ruk aan het stuur bij de eerste flauwe bocht: 'Het is geen fiets.' Nee, maar om de een of andere reden had ik af en toe wat moeite om dat te onthouden. Een paar keer betrapte ik mezelf erop dat ik automatisch daar wilde gaan rijden waar een fietspad stond aangegeven, of netjes een beetje uitweek naar rechts als er zo'n vinnig 'fietsers dáár' bordje met een pijltje stond. Dat is natuurlijk het allereerste dat ik moet afleren. Geen fiets, Eline. Géén fiets.
En daar vloog ik opeens over de snelweg. 'Het is raar om wel controle te hebben over het stuur, maar niet over de snelheid,' merkte ik voorzichtig op. Waarop mijn instructeur lachend zei: 'Je denkt: zachter! Zachter!' Ehm, inderdaad. Dat scheuren is nog enger dan het lijkt. Nou ja, scheuren... waarschijnlijk reden we net honderd, als het niet minder was.
Doel van het ritje was de parkeerplaats van de Maarsseveense Plassen, waar we gingen oefenen met gas geven, koppeling en schakelen. Ik dacht hiervoor dus echt dat autorijden een kwestie was van het gaspedaal intrappen en gáán. Dat je ook nog allemaal schimmige dingen moet doen als de koppeling laten opkomen en schakelen, dat wist ik natuurlijk wel van horen zeggen, maar het was gek genoeg niet opgenomen in mijn mentale voorstelling van autorijden. Zelfs remmen was moeilijker dan ik dacht. En alsof je het met dat alles nog niet druk genoeg hebt, moet je natuurlijk ook nog zorgen dat je een beetje recht blijft rijden en geen fietsers schept. Dat mensen ondertussen ook nog kunnen bellen of een krentenbol kunnen eten!
Toch had ik het op een gegeven moment allemaal aardig onder de knie, want ik mocht mijn opgedane kennis in de praktijk gaan brengen op de echte weg. Help! Tussen echte auto's! Ik was zo druk het allemaal zo perfect mogelijk voor elkaar te krijgen (hoezo, nooit eerder achter het stuur gezeten?) dat ik de maximumsnelheid helemaal uit het oog verloor. Tot mijn instructeur me er vriendelijk op wees: 'Je rijdt nu tachtig, en je mag hier vijftig.' Oeps. Toen ik vervolgens nogal abrupt naar links uitweek omdat ik een aanwijzing niet helemaal goed begrepen had, besloot hij het pedaalwerk maar weer over te nemen. En mocht ik me de rest van de les concentreren op sturen. Dat vond ik fijn: nu kon ik mezelf tenminste lekker voor de gek houden en doen alsof ik heel goed kon rijden. Oh yeah, kijk mij hier eens even cruisen.
En voor ik het wist reed ik alweer over de vertrouwde Kardinaal de Jongweg, en bracht ik mezelf netjes thuis. Voor ik het wist had ik ingetekend voor de volgende les, morgen alweer, wederom om 9 uur. Hoewel ik het nog steeds wonderlijk vind dat mensen dit allemaal schijnbaar zonder erbij na te denken doen en ik me ergens niet kan voorstellen dat ik het binnen afzienbare tijd óók onder de knie zal hebben, vond ik het wel ontzettend leuk. En het ging ook precies zoals ik stiekem al verwachtte toen ik zogenaamd vrijblijvend een afspraak maakte voor die gratis eerste les: als je eenmaal achter het stuur hebt gezeten, wil je nog een keer. Het is ingewikkeld en intimiderend, maar ook verslavend. En ik wil het kunnen. Ik ga ervoor!

19 september 2008

Rijles

Afgelopen zondag hing ik met Berend wat rond bij de Culturele en tevens Autovrije zondag. Voor de gelegenheid hadden ze een rijsimulator neergezet. Ik had dit thuis al in het boekje zien staan en was meteen enthousiast: eindelijk mijn kans om eens te voelen hoe het is om zelf achter stuur te zitten in plaats van altijd maar op de bijrijdersstoel of erger nog, achterin. Ik zag al helemaal een soort supersonisch kermisgeval voor me, maar dat viel een beetje tegen: de rijsimulator, of wat daarvoor door moest gaan, bestond uit een computerscherm, een autostoel, drie pedalen en een stuur met daaraan een paar knopjes en hendeltjes. Op de stand stond groot 'Het Nieuwe Rijden'. Eerst maar eens het oude rijden onder de knie krijgen, dacht ik bij mezelf.
Parmantig ging ik zitten. 'Heb je weleens autogereden?' vroeg de man die mij Het Nieuwe Rijden zou gaan uitleggen. Toen ik zei van niet, zei hij: 'O, dan wordt het helemaal lastig.'
Het Nieuwe Rijden bleek erop gebaseerd te zijn dat je op een andere manier leert schakelen en daardoor langer met je benzine doet (geloof ik). Het enige wat ik hoefde te doen, was gassen, sturen en schakelen. 'Schakel nu naar de derde versnelling,' zei een beleefd elektronisch stemmetje zodra het programma was opgestart. Terwijl Berend driftig met de hendeltjes op mijn stuurtje aan de slag ging, trapte ik het gaspedaal vol in. Ik vloog direct een virtuele tuin in. ('Eline! Je moet wel stúren!') Game over.
Tijdens mijn tweede poging hield ik het iets langer vol, al werd ik wel voortdurend berispt door het elektronische stemmetje: 'U rijdt te hard. U rijdt te hard. Schakel nu naar de derde versnelling. U rijdt te hard. Schakel nu naar de vierde versnelling. U rijdt te hard. U rijdt te hard.' En vervolgens: 'Wegens teveel overtredingen wordt het programma beëindigd.'
In totaal had ik nog geen minuut achter het stuur gezeten voor werd besloten dat een wegpiraat als ik maar beter permanent van het verkeer verwijderd kon worden.
Hopelijk gaat het beter als ik in een echte auto kom te zitten. Dat zou binnenkort namelijk weleens kunnen gebeuren. Ik ben financieel in staat en vind het ook wel een mooi moment om rijles te gaan nemen. Maar ik twijfel nog. Niet dat ik echt bang ben dat ik het in het echt ook zo gruwelijk slecht zal doen als in dat provisorische computerspelletje dat ze een rijsimulator durven te noemen. Als het goed is leggen ze me dan vóór ik wegscheur nog wel even uit wat zo'n beetje het idee is. En mezelf kennende rij ik vervolgens waarschijnlijk met een angstig slakkengangetje de straat uit, zweethandjes stijf om het stuur geklemd.
In mijn fantasie gaat het natuurlijk altijd anders. In mijn fantasie scheur ik met wapperende haren, harde muziek en hoge hakken over de snelweg. Dat ik er hoge hakken bij verzin geeft al aan hoe weinig benul ik van het échte autorijden heb: als ik de rij-instructeur uit Happy-Go-Lucky goed begrepen heb, zijn hoge hakken achter het stuur uit den boze. Hello, Allstars.
Toch twijfel ik niet omdat ik bang ben dat ik het niet kan. Hoewel dat er wel een beetje mee te maken heeft. Ik ben wel bang dat ik het dermate slecht kan, dat ik heel wat lessen en examens nodig zal hebben voor ik het felbegeerde roze papiertje (tegenwoordig een pasje, geloof ik) in mijn bezit zal hebben. En dat kost geld. Veel geld. Nu ben ik gelukkig aardig rijk op het moment, maar niet zo rijk dat ik het niet toch een beetje zonde van mijn geld vind om het allemaal te besteden aan rijlessen terwijl ik niet eens weet hoe hard ik dat rijbewijs uiteindelijk nodig zal hebben. Tot nu toe is het tenslotte altijd prima gegaan zonder.
Mijn omgeving is ook niet echt behulpzaam. Sommigen zeggen: doe het alsjeblieft niet. Sommigen zeggen: doe het alsjeblieft wel. En ik... tja, ik denk nog vooral in termen van wapperende haren. Misschien moet ik sowiezo maar wachten met mijn eerste rijles tot ik in plaats daarvan eerst aan het praktisch nut van een rijbewijs denk.

17 september 2008

Schrijfster worden (2)

'Heeft een van jullie weleens een manuscript naar een uitgeverij gestuurd?' vraagt mijn docent Uitgeverij & Boekwetenschap. In eerste instantie zwijgt iedereen. 'Ik ben het wel van plan,' beken ik dan. 'Maar ik ben nog even moed aan het verzamelen.'
Mijn docent glimlacht, knikt, en vervolgt: 'Het gebeurt heel weinig, hè, dat een manuscript op die manier wordt uitgegeven. Meestal gaan dat soort dingen toch via via. Dat een manuscript dat naar een uitgeverij wordt gestuurd ook echt wordt uitgegeven, dat komt héél zelden voor.'
Hier moet ik toch echt even tegen protesteren. 'Tijdens mijn stage is het wel voorgekomen hoor, dat er iets werd uitgevist waarvan we dachten dat het potentie had.'
'Maar daar moest dan zeker nog een heleboel aan bijgeschaafd worden?'
'Nou ja, zo ver is het tijdens de periode dat ik stageliep eigenlijk nooit echt gekomen,' moet ik toch toegeven, hiermee mijn eigen argument meteen weer ondermijnend. 'Maar volgens mij is het in het verleden wel gebeurd,' voeg ik er zwakjes aan toe.
Glimlach, knik. 'Van alle manuscripten die worden opgestuurd wordt maar een héél klein percentage uitgegeven.'
En bedankt, hè. Altijd fijn, zo'n academisch verantwoorde peptalk. Maar ik ben wél weer bezig met mijn manuscript. Hetzelfde manuscript waar ik in een eerdere blog nog zo over twijfelde. Maar de reacties die ik daarop gekregen heb, hebben me de moed gegeven om toch weer door te gaan en de laatste verbeteringen door te voeren. En het uiteindelijk gewoon te proberen, hoe eng ik dat ook vind. Dan maar een klein percentage; ik heb het dan in ieder geval geprobeerd!

9 september 2008

Yoga

Vanmiddag was het dan eindelijk zover: mijn allereerste yogales. Ik liep al langer rond met het idee om me op te geven voor een yogaklasje, en vorige week maandag sprong ik in een impulsieve bui opeens op de fiets om me in te schrijven bij Olympos, het sportcentrum van de universiteit. Al was het alleen maar omdat dit mijn laatste jaar als UU-student is en ik in de vier voorgaande jaren niet één keer gebruik heb gemaakt van de mogelijkheid om daar goedkoop te sporten. Daar moest maar eens verandering in komen.
Ter voorbereiding kocht ik daarna alvast een 'yogabroek', eigenlijk gewoon een zwarte driekwarts sportbroek die ontzettend lekker bleek te zitten. Zo lekker dat ik 'm vanaf het moment van aankoop iedere dag wel een paar uur aangehad heb en tegen iedereen die het maar horen wilde het Evangelie Van De Broek liep te verkondigen: hoe zacht die aanvoelde ('moet je eens voelen!') en hoe fijn en soepel ik me er vóór mijn eerste yogales al in voelde. Maar met zo'n broek ben je er dus nog niet. Vandaag moest ik het ook echt gaan dóen.
Dus daar was ik dan, vanmiddag, een kwartier te vroeg. Ik kocht een flesje water bij het sportcafé en wilde net gaan vragen waar de yogalessen gegeven werden toen ik de man bij de sportdesk tegen een groepje uitwisselingsstudenten hoorde zeggen: 'Yoga is over there, in the building with the red roof.' Weer een probleem opgelost; op weg naar het gebouwtje met de red roof. Daar stond ik vervolgens een half uur te wachten met een groepje gedesoriënteerde mede-yogaleerlingen. Waar bleef de docente? Zou de les wel doorgaan? Ik vreesde al dat ik onverrichter zake weer op de fiets zou springen en tegen al die mensen die nieuwsgierig waren naar mijn eerste yogakunstjes zou moeten zeggen dat ik niet één asana had geleerd, maar gelukkig bleek het allemaal op een misverstand te berusten: de docente bleek al die tijd al binnen te zijn geweest, alleen had zij de achterdeur genomen en was ze er vanuit gegaan dat wij dat ook wel zouden doen. Hoe dan ook: loslaten die kleine aardse ongenoegens, tijd voor geestelijke verlichting.
Vijf minuten later stond ik op een yogamatje te stretchen en uitgebreid in- en uit te ademen, begeleid door de rustige stem van de docente. Ik had verwacht vanaf het begin meegesleurd te worden door een reeks ingewikkeld klinkende oefeningen waarbij ik mijn ledematen op de meest vreemde plaatsen zou zien verschijnen en spieren zou voelen waarvan ik niet wist dat ik ze had. Maar zo was het niet. Het was eigenlijk een soort hele rustige, ontspannen gymnastiek, afgewisseld met korte meditatiesessies. Niks zweverigs; gewoon heel relaxed. Tegen sommige oefeningen protesteerden mijn spieren wel een beetje, maar de meesten waren goed te doen. Hoewel veel van mijn groepsgenootjes al eerder yoga hadden gedaan, was het totaal geen probleem dat dit mijn yoga-ontmaagding was. Ik was bang dat ik moeite zou hebben om mee te komen, maar dat was helemaal niet zo. Ik kon gewoon zo ver gaan als mijn lichaam kon. Hopelijk rek ik iedere week een stukje verder op...
Na de vijf minuten in shavasana (lijkhouding) waarmee de les werd afgesloten, voelde ik me heerlijk ontspannen. En dat gevoel is de rest van de dag blijven hangen. Ik zou elke dag wel zo'n yogasessie willen doen! Het is misschien een beetje voorbarig om te zeggen na één les, maar het lijkt erop dat ik om ben. Ik heb nu alweer zin in volgende week!

7 september 2008

Schrijfster worden

Ik ben op het moment een boek aan het lezen over schrijvers die zich hebben opgegeven voor een speciale schrijverskolonie. Drie maanden lang zullen zij, afgezonderd van de buitenwereld, ongestoord aan hun meesterwerk kunnen werken. Eindelijk. Thuis lukt het ze natuurlijk niet, omdat er altijd wel iets anders is dat aandacht vraagt: een vervelend maar noodzakelijk baantje, een ziek kind, het huishouden.
Die schrijverskolonie bestaat inderdaad. Maar het is er wel een beetje anders dan de arme schrijvers in gedachten hadden. Zij dachten natuurlijk dat ze naar een luxe resort op het platteland zouden gaan. In plaats daarvan worden ze opgesloten in een oud theater middenin de stad, met dichtgetimmerde ramen en kant-en-klaarvoedsel dat houdbaar is tot na hun dood. Ze protesteren tegen de organisatie: dit was natuurlijk niet de bedoeling. Ze willen eruit. Zó kunnen ze niet schrijven. Maar ze vangen bot. Drie maanden zullen ze opgesloten blijven, om te doen wat ze beloofd hebben: drie maanden lang schrijven. Want: 'wat je hier tegenhoudt, houdt je thuis ook tegen.' Ergo: je hebt altijd wel een of ander smoesje om niet te hoeven schrijven. Morgen ga je aan dat meesterwerk beginnen, heus, maar vandaag komt het net even niet uit.
Ik ben nog niet op een kwart van het boek en ik vermoed dat het allemaal nog wel wat gruwelijker zal worden dan dit (er staat niet voor niets 'horror van de 21ste eeuw' op het omslag), maar tot nu lijkt het me wel wat voor mij: opgesloten worden en gedwongen worden om te schrijven. Want bij mij is het ook altijd wat. Ik heb ruim drie maanden vakantie gehad en er is niets uit mijn handen gekomen. Natuurlijk heb ik een boel geniale ingevingen gehad en een hoop beginnetjes gemaakt, maar niets is zelfs maar in de buurt gekomen bij wat je een verhaal zou kunnen noemen. En ondertussen wél tegen iedereen roepen dat ik zo graag schrijfster wil worden als ik later groot ben. Het ironische is dat ik zelfs al een compleet manuscript op mijn computer heb staan dat ik vier maanden geleden, toen ik nog stage liep bij een uitgeverij en dus genoeg 'in het wereldje' zat om een redelijke inschatting te kunnen maken, best geschikt voor publicatie achtte. Het enige wat ik hoef te doen is wat strokenrokken - hip toen ik het verhaal schreef, wat meteen aangeeft hoe lang dat alweer geleden is - veranderen in tijdloze spijkerbroeken en wat botbreuken aanpassen (omdat Berend me erop wees dat het niet logisch is dat een van de hoofdpersonen twee benen en een arm breekt nadat hij uit het raam van zijn brandende studentenhuis is gesprongen, als je kijkt naar hoe hij dan zou moeten neerkomen - we hebben nog een hele reconstructie van de val zitten maken). Dan moet ik het een paar keer uitprinten en wat uitgeverijen zoeken die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in mijn jongemeidenproza. Daarna hoef ik alleen nog maar naar de brievenbus te lopen, mijn ogen dicht te doen en een schietgebedje te zeggen voor de paar dikke enveloppen die ik wegstuur, de grote boze uitgeverswereld in. Dat is alles. Daar heb ik drie maanden de tijd voor gehad. En dat heb ik dus niet gedaan.
Vorige week lag ik bij Strijkviertel in de zon met Linda toen ze me vroeg of ik dat manuscript - dat ze indertijd met veel plezier heeft gelezen - nou al had opgestuurd. Weer moest ik bekennen dat het er niet van was gekomen. 'Je hebt deze week toch nog vrij?' zei ze. 'Doe het dan gewoon déze week. Stuur het gewoon op!' 'Ja, ik zal wel kijken,' antwoordde ik vaag. 'Er komt steeds van alles tussen.' 'Dan heeft het blijkbaar toch niet genoeg prioriteit voor jou,' zei ze. En dat is misschien nog waar ook. Want als ik écht schrijfster zou willen worden, zou ik dan geen actie ondernemen? Is het feit dat ik op het moment gewoon liever met een boek op de bank zit misschien een teken dat ik liever boeken consumeer dan ze zelf te scheppen? Heb ik ook hier niet genoeg drive voor? Ben ik bang? Of weet ik zelf ook wel dat ik gewoon net niet goed genoeg ben?
Gisteren las ik een interviewtje met een jonge bureauredacteur. Vroeger wilde hij ook altijd schrijver worden, vertelde hij. Hele schriften pende hij vol. Maar: 'ik kwam er achter dat anderen veel beter konden schrijven, en dat ik helemaal niet zo briljant was.' Knap vind ik dat, als je zo makkelijk je droom kunt opgeven zonder er verder moeilijk over te doen. Hoewel je natuurlijk niet weet hoeveel leed er achter één zo'n zinnetje schuilt.
Hoe dan ook, misschien blijf ik liever aan de andere kant. Misschien ben ik liever degene die beoordeelt in plaats van degene die beoordeeld wordt. Ik wil degene zijn die de stapel manuscripten wegwerkt, niet degene die op die stapel terecht komt. Of in elk geval: nog niet.
Mijn moeder zei een paar maanden geleden: 'Misschien moet je wachten tot je wat meer te vertellen hebt.' Ik was een beetje verontwaardigd: heb ik nu dan niks te vertellen ofzo? Maar nu ik er zo over nadenk, zie ik wel dat ze een punt heeft. Jongemeidenproza schrijven voor een jong publiek is een leuk streven. Maar misschien wil ik liever debuteren als volwassen auteur. Hoewel er genoeg zijn die op mijn leeftijd al 'echte' romans produceren die als literatuur bestempeld worden. Misschien is 'wachten tot ik wat meer ben opgegroeid' dus ook wel gewoon een heel mooi smoesje. Het uitstellen van mijn droom tot nader orde.
Op dit moment lukt het in elk geval allemaal niet zo, dat is een ding dat zeker is. Ik heb dat manuscript dan wel af, maar ik weet niet of dít is wat ik wil zeggen. Stel dát het zou worden uitgegeven, dan weet ik helemaal niet of ik wel wil dat dit zou worden uitgegeven. Dat dit mijn debuut zou worden. Een verhaal dat ik schreef toen ik net twintig was. Tegen de tijd dat het in de winkel zou liggen, zou ik met een beetje pech al bijna vijf jaar ouder zijn.
Ik wil debuteren met iets waar ik helemaal achter sta. En ik ben bang dat dat met dit manuscript toch niet het geval is. Ik blijf wachten tot één van de vele beginnetjes is uitgegroeid tot iets mooiers, iets beters, iets gróóts. En als dat nooit gebeurt... dan had ik het misschien toch nooit in me. Of is mijn drang om schrijfster te worden gewoon nooit sterk genoeg geweest.

5 september 2008

Vermist

Ik kan best wat hebben. Ik kan met droge ogen naar ultieme jankfilms kijken en op begrafenissen vind ik mezelf altijd onaangenaam gevoelloos. Er is maar één ding waar ik écht niet tegen kan: opsporingsposters van vermiste poezen. Zo'n koppie dat je aanstaart vanaf een foto die is genomen toen alles nog goed was en de lieverd nog gewoon op zijn kussentje voor de verwarming lag. En dan die tekst. O God, die tekst. 'Vermist: Keesje. Sinds 21 augustus is Keesje niet meer thuis gekomen. Hij is zwart met witte sokjes en heeft een hapje uit zijn linkeroor. Ook heeft hij een opvallend kort staartje. Heeft u Keesje misschien gezien, neemt u dan alstublieft contact op met..." Het ergste vind ik misschien nog wel om te zien hoe het briefje er een week later nog hangt, en twee weken later - enigszins verregend en vergeeld - nog steeds. Ik wend meestal mijn hoofd af. Ik wil er niet naar kijken.
Sinds ik terug ben van vakantie, hangen overal in de wijde omtrek van mijn huis posters over een vermiste Pukkie. De baasjes van Pukkie hebben het grondig aangepakt: ze wonen ergens in Tuindorp-Oost, maar ik heb de posters tot in Overvecht zien hangen. Of iemand alsjeblieft wil kijken of Pukkie misschien per ongeluk in hun schuurtje opgesloten is geraakt. Blijkbaar is dat niet zo, want ik ben nu al ruim een week terug en rijd nog steeds iedere dag langs de beeltenis van Pukkie. En steeds krijg ik een klein beetje zin om te huilen. Als ik er maar lang genoeg naar kijk, kan ik me waarschijnlijk niet inhouden.

13 augustus 2008

Shopgeluk

Gisteren gingen Berend en ik shoppen. Natuurlijk was shoppen voor mij eigenlijk verboten, aangezien ik al mijn geld probeer te bewaren voor Kroatië, iets waarvoor ik het afgelopen weekend zelfs een cocktailavondje met vriendinnen heb overgeslagen. Ik ging dus eigenlijk alleen met Berend mee voor de gezelligheid en om hem bij te staan bij de aankoop van een korte broek en nog wat andere handige vakantie-gadgets.
Maar zulke heroïsche pogingen tot geld bewaren worden door slimme aanbiedingen natuurlijk altijd ernstig ontmoedigd. Zo kon ik toch echt geen nee zeggen tegen een lekker spannend zomerboek voor slechts 3,95. Bij H&M deed ik voor de grap eens een greep in het 'alles 2 euro'-rek en tot mijn grote verbazing vond ik daar een rokje dat ik paste en dat nog erg leuk stond ook. En toen we langs de Bijenkorf liepen, bedacht ik dat er in mijn portemonnee nog een cadeaucard rondzwierf met 2 euro erop, en wist ik een prachtige sjaal op de kop te tikken waar ik met stippenkorting en cadeaucard slechts 2,20 voor hoefde te betalen.
Toen ik thuis de kaartjes van mijn aanwinsten afknipte, stelde Berend me de confronterende vraag: 'Ben je nu gelukkig?' Ja, moest ik toegeven, ik was gelukkig. Vooral die geweldige sjaal, die oorspronkelijk 15 euro had gekost, maakte me bijzonder blij. Ik denk dat elke vrouw dat wel heeft, zo'n geluksgevoel als ze thuis haar mooie nieuwe spulletjes bekijkt na het winkelen. Het is geen duurzaam geluk, je weet dat het snel zal wegebben als je eenmaal gewend bent aan je nieuwe dingen en bedenkt wat je allemaal nog méér nodig hebt of gewoon graag wilt. Maar het is een fijn gevoel.
Misschien is het ook wel biologisch zo bepaald, aangezien je als vrouw toch geprogrammeerd bent om besjes te verzamelen. Als je met mooie bessen thuiskomt, ben je bijzonder tevreden omdat je je goed van je taak als oervrouw gekweten hebt. Maar die tevredenheid blijft nooit lang hangen en binnen de korste keren zijn er weer nieuwe besjes nodig. En daar gaan we weer, op zoek naar de aankopen die ons een nieuw geluksshot zullen bezorgen.

11 augustus 2008

Avontuur gepland

Berend en ik hebben het afgelopen jaar de prachtigste vakantieplannen gemaakt. Dat we naar een warm en zonnig land wilden was al duidelijk vanaf het moment dat we een jaar geleden terugkwamen van een bijzonder geslaagd, maar bijzonder regenachtig weekje op Terschelling. Dat we wilden gaan interrailen besloten we toen we de treinavonturen van huisgenoot Erwin te horen kregen. We zouden drie weken gaan rondtrekken door Frankrijk, Spanje, Italië, Griekenland en als het even kon ook nog Tsjechië. Ik zag al helemaal voor me hoe we, relaxed en bruinverbrand, met de trein door de prachtigste gebieden zouden touren, terwijl ik scherpe reisverhaaltjes in een beduimeld schrijfblokje zou schrijven, waar Berend vervolgens grappige tekeningetjes bij zou maken. In shabby internetcafé's zouden we het thuisfront op de hoogte houden van onze belevenissen. We zouden overnachten in armoedige hotelletjes en op romantische, schaduwrijke campings. Het zou natuurlijk ook weleens voorkomen dat we geen slaapplaats zouden kunnen vinden, maar dan zouden we met onze slaapzak in het plaatselijke park gaan liggen en genieten van de zwoele zomernacht.
Met een aantal dingen hadden we hierbij geen rekening gehouden. Bijvoorbeeld met het feit dat ik helemaal niet houd van zoeken naar campings, en al helemaal niet van zoeken naar campings in de brandende zon en met een zware rugzak op. Of het feit dat ik, dankzij mijn incompetente uitzendbureau, helemaal geen geld had om drie weken rond te trekken. Of, het belangrijkste struikelblok: dat het helemaal niet zo makkelijk is allemaal. Het is geen kwestie van in de trein springen en een geweldige vakantie tegemoet gaan. Vrijheid-blijheid leidt tot slapen op een bankje op het station. Je moet van tevoren van alles reserveren, supplementen betalen, kortom: plannen.
Natuurlijk gaven we ons interrail-plan niet zomaar op, en we begonnen dapper aan het uitstippelen van wat onze grote reis moest worden, met de Lonely Planet van Erwin en diverse handige interrail-sites bij de hand. Vanwege mijn geldgebrek hadden we besloten maar twee weken weg te gaan, waarvan we 5 dagen zouden mogen treinen. Dan kom je dus niet ver, bleek al snel. Want je moet er natuurlijk wel aan denken dat je ook nog terug moet. Na een uur turen op kaarten, staren naar ingewikkelde tabellen en tips lezen van ervaren interrailers, vroeg ik voorzichtig aan Berend: 'Snap jij het?
'Niet echt, nee.'
'Willen we dit eigenlijk nog wel?'
'Tja, ik wil het nog wel, maar ik heb geen zin in al dat gezeik er omheen.'
Dat had ik dus ook. Het plannen van een interrail-reis binnen zo'n kort tijdbestek en met zo'n beperkt budget bleek gewoon niet te doen. Boos en gefrustreerd gingen we die avond naar bed, een illusie armer.
De volgende dag boekten we last minute een jongerenbusreis naar Kroatië. Dit was zo ongeveer het tegenovergestelde van ons oorspronkelijke plan: reis en verblijf ineen en een tent compleet met bedden, tuintafel en -stoelen, parasol, gasfornuisje en keukeninventaris. Lekker goedkoop, lekker makkelijk, lekker warm, lekker zonnig. En, aan de foto's te zien, nog een prachtig land ook. De schrik sloeg ons nog wel even om het hart toen we zagen dat Kroatië niet vermeld stond bij de landen waar ik met mijn ID-kaart in zou komen en dat we ons zouden moeten inenten tegen DTP en Hepatitis A, maar dit bleken twee stormen in een glas water: verschillende bronnen hebben bevestigd dat je zonder problemen met je ID-kaart de Kroatische grens over komt en dat inenten niet nodig is zolang je maar een beetje oplet wat je eet en drinkt.
Over een week vertrekken we en ik kan bijna niet wachten. Deze reis is dan misschien wat minder avontuurlijk dan ons oorspronkelijke plan, maar ik kom er waarschijnlijk wel een stuk bruiner en ontspannener van terug.

27 juli 2008

Ontsnapt?

Buurvrouw Joke is drie weken op vakantie en dus hebben Berend en ik gedurende die tijd de volledige zorg over de drie cavia's, die nu alledrie bij Joke op de kamer staan. Omdat ik me deze zomer overal en nergens bevind, kon ik Sam niet echt een stabiele thuisbasis bieden en logeert ze bij Joke tot ik mijn laatste vakantie achter de rug heb.
Gistermiddag vertrokken Joke en Ralf in de stromende regen naar het station, voor ons een briefje achterlatend met uitgebreide aanwijzingen omtrent het voeren van de dames (vooral Sam blijkt een verwend krengetje als het op eten aankomt). Toen ik voor het slapengaan nog even ging kijken hoe het ermee stond, zag ik tot mijn grote schrik dat het hok van Sam leeg was. Eerst dacht ik nog dat ze zich gewoon erg goed verstopt had. Maar er was geen grote bobbel te zien onder het hooi. En ook in haar schuiltunneltje zat ze niet.
'Beer!' gilde ik paniekering naar boven. 'Beer! Sam is weg!'
'Oh,' was Beers korte antwoord van achter de wc-deur.
'Ja, oh?! Sam is WEG!'
Lichtelijk wanhopig keek ik Jokes kamer rond. Er waren ontzettend veel plekjes waar een cavia in, achter, onder of tussen zou kunnen kruipen. Waar zou ik zelf gaan zitten als ik een cavia was? In een helder moment schoof ik een zak hooi en een zak stro opzij. En jawel hoor; daar achter zat Sammie gemoedelijk te knabbelen.
We hadden haar gevonden, dat was één. Haar vangen, dat was twee. Berend was inmiddels ook binnen gekomen, dus er waren maar liefst vier handen die Sam te pakken konden krijgen. Dat is echter moeilijker dan het lijkt. Een cavia die aan het rondrennen is, zal er alles aan doen om niet opgepakt te worden. Hun wapen is daarbij hun zachte vachtje; ze glippen als water door je vingers. Zo kwam het dus dat Berend om één uur 's nachts, in zijn onderbroek, in Jokes kamer, als een bezetene spullen opzij stond te schuiven, terwijl Sam overal tussendoor schoot.
Natuurlijk wonnen wij uiteindelijk, en Sam werd teruggezet in haar hok. Blijft over het grote mysterie: hoe was ze daar überhaupt uitgekomen? Was ze er zelf uit geklommen/gesprongen om op ontdekkingstocht te gaan? Of had Joke haar eruit gehaald voor ze wegging en was ze in de haast vergeten haar terug te zetten? We zullen er de komende weken wel achter komen...

18 juli 2008

Welpenkamp

Vijf jaar geleden ging ik voor het eerst met de welpen mee op kamp als hulpleiding. Locatie: Apeldoorn. Thema: Asterix en Obelix. Ik hing qua status eigenlijk een beetje tussen de leiding en de kinderen in, want ik had niet echt iets met de voorbereiding te maken gehad en ik had nog niet bepaald leiderschapskwaliteiten ontwikkeld. Ik vroeg me stiekem wel eens af of de kinderen misschien dachten dat ik een soort groot uitgevallen, vrouwelijke welp was. Maar ik lag er niet van wakker. Ik hield me vooral bezig met sms-en met mijn vriendje, die in dezelfde week met de rowans op kamp was. Daar lag ik dan weer wél van wakker, vooral toen hij het voor elkaar kreeg om meer dan 24 uur geen berichtje terug te sturen, wat ik onbegrijpelijk vond.
Blijkbaar deed ik toch iets goed die week, want ze wisten me voor een tweede zomerkamp te strikken. Locatie: een piepklein dorpje in Groningen. Thema: de mysterieuze verdwijning van een boerenmeisje. Na dat kamp zou ik ook geïnstalleerd worden als welpenleiding (over strikken gesproken!). Nu moest ik dus toch maar eens wat gaan oefenen met overwicht. Dat viel nog niet mee. Hoewel er maar vijf kinderen mee waren, leek het alsof ze allemaal hadden besloten níet naar mij te luisteren. Ik wist wel dat ze me gewoon aan het uitproberen waren, maar het voelde toch een beetje als een persoonlijke aanval. Dat ik de hele dag moest rondlopen als een boerenmeisje luisterend naar de naam Froukje, maakte de zaak er niet eenvoudiger op. Iedere avond vroegen de kinderen pesterig waar ik de hele dag geweest was. Ik verzon snel een vriendje in een nabijgelegen dorpje, maar veel indruk maakte het niet. Ik vreesde het ergste voor mijn leidingcarrière.
Het bleek gelukkig allemaal wel mee te vallen, en het jaar daarop begon ik vol goede moed aan mijn derde zomerkamp. Locatie: Harderhaven. Thema: Griekse goden. Dit was een thema waar mijn medeleiding Raoul en ik ons helemaal op hadden uitgeleefd: we hadden twaalf verschillende themafiguren en de grootste lol. Vooral een zeer melig uitje naar het Dolfinarium staat me nog helder voor de geest.
Het jaar daarop. Locatie: Zwijndrecht. Thema: de verdwenen familieschat van de Chinese familie Chi. Ik was weer een stapje opgeklommen in de hiërarchie: ik was nu Verantwoordelijk Leiding (de scoutingterm voor degene die erop wordt aangekeken als er iets misgaat) omdat Raoul het leidinggeven langzaam was gaan afbouwen. Mijn nieuwe positie zorgde nog wel voor wat stress (ik herinner me nog dat ik hysterisch tegen mijn moeder gilde dat ik nu Verantwoordelijk Leiding was en dat ik daarom dus álles góed moest doen!) maar toen we eenmaal bezig waren merkte ik er eigenlijk niks van (er ging dan ook niets mis, dus ik werd ook nergens op aangekeken, behalve dan dat ik de daadwerkelijke familieschat per ongeluk thuis had laten liggen). Omdat wij als kaaskoppen allemaal Chinezen moesten spelen, hadden we al snel allemaal de gewoonte om de R consequent als een L uit te spreken ('Wel lustig doen, kindelen!'). We begonnen het zelfs per ongeluk te doen als we niet in thema waren. We hadden een supermooi terrein en prachtig weer. Ik vind ons familie Chi-kamp nog altijd het leukste zomerkamp dat ik met de welpen heb meegemaakt.
Het jaar daarop hadden we bijna helemaal geen zomerkamp, omdat te weinig kinderen zich hadden aangemeld. Gelukkig viel er nog wat te regelen met mijn huisgenootje, wiens ouders een boerderij hadden waar we met een klein aantal kinderen een lang weekend mochten kamperen. Locatie: Eemnes. Thema: de moord op Bertha 12, een van de koeien van Boer Lupo. Het weer viel nogal tegen, maar de lieve hulp van Willemijn en haar ouders maakte alles goed. De laatste avond dreigde er noodweer en mochten de kinderen op de deel slapen (waar de koeien staan in de winter). We maakten een superzacht bed voor ze van stro. De volgende morgen lagen ze er om negen uur tot mijn grote verbazing nog steeds in: 'we liggen zo lekker!'
En morgen begin in aan mijn zesde zomerkamp. Oh my God! Mijn zesde zomerkamp alweer! Locatie: Nieuwkuijk. Thema: de ridders van de vierkante tafel op zoek naar de Heilige Graal (ze blijken best aardige gralen te verkopen bij Xenos, ontdekten Lisette en ik deze week... zou Koning Arthur dat indertijd geweten hebben?). Inmiddels is Raoul helemaal gestopt met leidinggeven en gaat hij dit jaar mee als kookstaf, samen met Lisette. Jeroen begint juist aan zíjn allereerste zomerkamp als leiding. En zo is de cirkel weer mooi rond!






11 juli 2008

Werkloos

In een overzichtelijke wereld gaat het zo: uitzendbureaus zenden uit. Je geeft aan wanneer je tijd hebt en met een beetje geluk (of pech, wat je wilt) sta je op dat moment vervolgens broodjes te smeren, gratis minizakjes chips uit te delen in een kippenpak of het ene na het andere porseleinen beeldje af te stoffen bij een mevrouw die op hoog volume Bingo FM heeft aanstaan. Het laatste scenario was altijd dat van mij: voor ik stage ging lopen, verdiende ik twee jaar bij in de thuiszorg. Niet het meest vrolijke of makkelijke werk, maar wel heel interessant, afwisselend en leerzaam. Ik heb eens een hele dienst lang zitten praten en de Story zitten lezen met een mevrouw wiens parkietje die morgen dood in de kooi had gelegen. Ik heb in een klooster gewerkt en een uitgebreide rondleiding gekregen van de broeder van wie ik de kamer slechts hoefde te stoffen. Ik heb de hele geschiedenis van de bouw van de wijk Kanaleneiland gehoord van iemand die daaraan had meegewerkt. Ik ben ook weleens uitgescholden en als huissloof gebruikt, maar over het algemeen heb ik vooral bij lieve mensen gewerkt.
Na mijn stage dacht ik dit gewoon weer te kunnen oppakken. Ik wilde drie dagen per week gaan werken en zo een leuk bedragje verdienen voor mijn vakantie met Berend. We zouden gaan interrailen en dat is niet bepaald goedkoop.
De eerste week hoorde ik niets van het uitzendbureau, maar dat verbaasde me niet echt. Ik was er tenslotte een hele tijd uit geweest en misschien stond ik niet echt bovenaan de prioriteitenlijst. Ik gaf braaf mijn beschikbaarheid door voor de tweede week. Weer niks. Ik begon het een beetje vreemd te vinden en belde. Ik kwam er achter dat ik mijn beschikbaarheid te laat had doorgegeven: dat moest tegenwoordig op dinsdag. Dát had ik dus even niet meegekregen.
De week daarop belde ik ruim op tijd en dat werd gewaardeerd: ik zou absoluut aan de slag kunnen, werd me verzekerd. Maar ik werd weer niet gebeld met een lijst adressen van mensen bij wie ik mocht gaan poetsen. Mijn vakantiebudget werd ondertussen kleiner en kleiner. Het interrailen-idee moest ik langzaam loslaten. Al die vrije tijd was wel ontzettend lekker, maar af en toe voelde ik me ook knap nutteloos, met name wanneer Berend barstend van productiviteit uit zijn werk kwam en ik naar Dr. Phil zat te kijken.
Ik deed weer eens een belletje naar het uitzendbureau en vermeldde erbij dat mijn vakantie op losse schroeven was komen te staan door mijn gebrek aan werk. Opeens hadden ze wat gevonden: ik kon als kraamhulp aan de slag in Hilversum. Ik zou er zo snel mogelijk over worden teruggebeld.
Mijn telefoon bleef angstvallig stil. 'Ik ben het zat!' raasde ik tegen Berend. 'Ik heb geen zin meer om achter werk aan te zetten, ik ga gewoon lekker van mijn vrije tijd genieten, en ik zie wel hoe ik het oplos met onze vakantie.' Ik wiste het nummer van het uitzendbureau uit mijn mobiel en ging demonstratief de hele middag in de zon liggen. Toen ik 's avonds mijn mail bekeek, had ik een mailtje van het uitzendbureau. Ze hadden me geprobeerd te bellen, maar dat was niet gelukt. Vreemd... Ik belde na het weekend terug, en wat bleek? 'Oh ja, nu zie ik het... er mist een vier in je telefoonnummer.' Er mist een vier. Was dit dan de hele tijd het probleem geweest? Honderden euro's misgelopen omdat er een vier miste?
Ik kreeg het nummer van de kraamzorginstelling. Ik belde in totaal negen keer - ja, ik heb het bijgehouden - maar kreeg al die keren niemand te pakken. Ik kreeg het emailadres van de contactpersoon bij de instelling. Dat bleek niet te bestaan. Pas toen ik een mail stuurde naar wat zelfverzonnen variaties op het adres (extra puntje, extra streepje, dat werk) kwam er een daarvan aan. Ik werd echter niet teruggebeld. Ik ging er vanuit dat dat deal wel niet door zou gaan, en maakte een afspraak met een nieuw uitzendbureau, in de hoop dat het daar wel zou lukken. Net toen ik dat had gedaan, werd in dan eindelijk gebeld door het kraamzorgbureau. Mijn beschikbaarheid werd echter wat teleurstellend gevonden: het was wel de bedoeling dat ik wat langer aan hun instelling verbonden zou blijven, want ze gingen toch tijd en energie in mij steken. Zo had ik het niet begrepen van het uitzendbureau; ik dacht dat het voor twee weekjes zou zijn. De kraamzorg-deal ging dus inderdaad niet door. Omdat ik zo stom was geweest erop te rekenen dat dit wél zou gebeuren, had ik niet op tijd mijn beschikbaarheid voor de volgende week doorgegeven...
En het nieuwe uitzendbureau? Dat kon mij voor de thuiszorg niet aannemen, omdat dat niet collegiaal zou zijn tegenover mijn oude uitzendbureau, met wie ze bleken samen te werken. Ik mocht wel kantoorpanden schoonmaken in de avonduren. Toen ik daar knarsetandend mee instemde, bleek dat ze geen werk hadden in de periode waarin ik nog zou kunnen...
En zo heeft het dus kunnen gebeuren dat ik, in de zes weken tussen het einde van mijn stage en het begin van zomerkamp, hoogstwaarschijnlijk niet één keer zal hebben gewerkt. Ik weet dat ik dat eigenlijk heel erg zou moeten vinden. Maar eigenlijk kan ik er vooral om lachen. Ik heb tenslotte wél veel tijd voor leuke dingen. En voor nutteloze dingen. Voor het lezen van mooie boeken. En, heel belangrijk: voor het voorbereiden van het zomerkamp met de welpen. Zo erg is het dus allemaal ook weer niet. Maar dat interrailen, tja... dat is dan wel weer jammer.